maandag 23 oktober 2017

Kwajongensstreken met Max


— De Laatste Vuurtorenwachter en Max (rechts) 
in de Rue du Pénèry in Vabre. —
Tegen de wand van de Puèg del Borion staan vijf huisjes aangedrukt. Ze kijken uit over het dal waarin het dorp ligt. Die huisjes stonden in 1992 voor weinig geld te koop. Ik legde mijn hand op het allergoedkoopste en maakte het gaandeweg bewoonbaar.
Een na een werden ook de andere huisjes gekocht, door mensen die, zoals ik, over onvoldoende middelen beschikken om zich een vakantiehuis in meer gegeerde Franse streken (Provence, Ardèche…) aan te schaffen.
Dat heeft een aangenaam neveneffect: we zijn elkaar waard. Niemand denkt van zichzelf dat hzij tot de middenklasse behoort. Dat is een verademing als je uit een land komt waar de politieke elite erin slaagt om de mensen iets anders wijs te maken.
Onze straat heet niet voor niets Rue du Pénèry, waarbij het Occitaanse pénèry verwant is aan het Franse pénurie en het Nederlandse penarie: gebrek, armoede, nood. Zelf denk ik dat de straatnaam op financiële nood slaat, mijn buren daarentegen beweren dat het ademnood betreft, want er moet flink geklommen worden om de Rue du Pénèry te bereiken. Ik spreek hen niet tegen, maar ‘k denk er toch ’t mijne van.
Rechts van me verblijven Serge en Ghislaine. Ze zijn verwant aan Max en Brigitte die het verste huisje bezetten. De schoonbroers Serge en Max zijn specialisten in het opsporen van eekhoorntjesbrood, een dure paddenstoel die in het achterliggende bos van de Puèg del Borion groeit.
Max ken ik ’t langst van al. Hij was, na mij, de eerste die zich in de Rue du Pénèry een huisje aanschafte. Dat schept een band. In die pioniersdagen hebben we elkaar hand- en spandiensten verleend en in de tijd dat alleen wij die bergwand bezet hielden hebben we ons ook wel in kwajongensstreken uitgeleefd.
Zoals die keer dat we de gemeentesecretaris wijsmaakten dat ik van plan was daar te trouwen. Konden we bij die gelegenheid de Rue du Pénèry voor alle verkeer — dat er eigenlijk niet is — afsluiten? Mocht Max op straat een banket aanrichten? En lampions ophangen? Mocht ik de vertaling van mijn officiële Nederlandstalige paperassen aan Max overlaten? En kon de burgemeester voor een geschikte bruid zorgen?

Flor Vandekerckhove

vrijdag 20 oktober 2017

Bertrand en de schapen


— Rechts: Bertrand met enkele van zijn schapen. De foto werd dit jaar door Els Milh gemaakt. Het linkse beeld dateert van vele jaren geleden. De toen nog jonge Bertrand leidt de schapen door de straat. Ze zijn al gepasseerd als ik de foto maak. Wie goed kijkt vangt in de verte nog een glimp(je) op van kudde. —

Veel stukjes in deze blog betreffen plekken waarmee ik lijfelijk verbonden ben: Bredene (206 stukjes), Oostende (116), Gent (25) en er is ook een Frans bergdorpje waarover ik al elf stukjes gepost heb, Vabre.
Tegen de wand van de Puèg del Borion, heb ik daar, vijfentwintig jaar geleden, voor 180.000 Belgische franken (4.462 €), een vervallen huisje gekocht. Gaandeweg heb ik het bewoonbaar gemaakt. Mijn buren zijn Fransen die daar later gekomen zijn en die er nu, net als ik, een buitenhuisje hebben. We zijn allemaal makkers. Alleen het huisje op de straathoek is permanent bewoond.
In dat hoekhuisje woont Bertrand (34). Hij stamt uit een plaatselijk geslacht, waarvan de meeste telgen nog altijd in de onmiddellijke omgeving wonen. Zijn ouders verblijven in Castres, het meest nabije stadje. In Vabre is er familie die een oogje in het zeil houdt, want Bertrand is een beetje simpel. Ook hij is een makker.
De winter kan daar koud en eenzaam zijn, de buurhuisjes staan dan leeg en in het dorp gebeurt 's winters nauwelijks iets, maar Bertrand verveelt zich niet. Er is altijd wel een boom te vellen of een schaap dat om zijn aandacht vraagt.  Vervelen doet hij zich niet, maar een briefje in de bus doorbreekt wel de monotonie. Hij houdt niet op me eraan te herinneren dat ik Nicole, Luc, Dirk en Els moet bedanken omdat ze hem dit jaar al zo’n briefje gestuurd hebben, of een foto. En dat het hem veel plezier gedaan heeft.
Dat laat hem eraan denken dat ik heel lang geleden een foto gemaakt heb terwijl hij en zijn moeder de kudde door de straat aan ’t leiden zijn. Hij was toen veertien en nog maar zo groot; hij houdt zijn hand horizontaal ter hoogte van onze buik.
Eerst herinner ik me dat niet, maar terwijl het gesprek verder kabbelt valt het me te binnen: ja, ooit heb ik een kudde schapen door de straat zien trekken en ja, ik heb daar toen een foto van gemaakt. Staat de kleine Bertrand op dat beeld?
’s Avonds, nadat de zon achter de berg geschoven is en de dorpsklok het uur van slapen luidt, doorploeg ik de diepste krochten van dit computergeheugen en in een hoekje vind ik inderdaad de door mij vergeten foto. De kudde is de straat eigenlijk al gepasseerd en trekt het bos in. De kleine Bertrand is op het beeld niet meer te zien. Spijtig.

Flor Vandekerckhove

maandag 16 oktober 2017

De surplace van Toulze

Een kwarteeuw geleden was Toulze al zichtbaar oud. Daarjuist, op weg naar de bib van Vabre, waar er een internetverbinding is, heb ik hem weergezien. Nu is hij uiteraard nóg ouder, maar dat is aan hem niet te zien. Toulze temporiseert. In de discipline van het ouder worden heeft hij gaandeweg de techniek van de surplace onder de knie gekregen. De spiegel leert me dat ik hem jaar na jaar aan ’t bijbenen ben.
‘Ha monsieur Toulze’, zeg ik, ‘hoe gaat ‘t ermee?’
‘Oud’, zegt hij. Het is een antwoord dat hij me elk jaar geeft en dat ik met het toenemen der jaren beter leer te begrijpen. Waardoor we nu bijna als gelijken kouten over benen die niet meewillen, zicht dat langzaam achteruitgaat, de nazomer die weer eens meezit, geheugen dat een steek laat vallen, krakende scharnieren en oren die vol watten zitten.
‘Ah, wat wil je’, zegt hij samenvattend, ‘je kunt niet tegelijk zijn en geweest zijn.’  
Daar valt zoveel over te zeggen dat er geen beginnen aan is. Ik hervat mijn tocht. Onderweg denk ik aan Toulzes woorden waarover ik, samen met Heraclites en Hegel, zo mijn twijfels heb,
Beneden, in de bibliotheek, wil ik een stukje over Boris Pilnjak posten, waarover ik boven op de berg iets aan ’t lezen ben, maar dat schuif ik voor me uit. Ik schrijf liever iets over Toulze. Vervolgens schrap ik uit dat stuk alles wat ik zelf bedacht heb over zijn en geweest zijn, over werken en pensioen, over een verleden dat ik van me af wil schudden en dat me blijft achtervolgen, zodat ik uiteindelijk alleen maar Toulze overhoud.
In de bib zit ik met de laptop op schoot naar het resultaat te kijken. Een kleuter komt me een boekje tonen. ‘Tracteur’, zegt hij en hij toont me de kaft waarop een tractor staat. Échelle’, zegt hij en hij wijst naar een ladder. Ik wil hem in retour iets meegeven, iets in het genre dat Toulze me zopas gezegd heeft, iets wat onze leeftijden dichter bij elkaar brengt, maar ik kan niets bedenken. Ik zit nog teveel met één been in het zijn en het andere in het geweest zijn. Ik moet eerst nog een beetje ouder worden, en dat jongetje ook, en dan moeten we, elk op zijn tijd, leren om daar zo lang mogelijk te surplacen.
De juf haalt de jongen bij me weg. (‘Monsieur travaille!’) Ik overloop mijn berichten.

Flor Vandekerckhove

woensdag 11 oktober 2017

Door de bril van de nekker

Op 30 augustus kom ik in een stortbui terecht. Die is zo hevig dat hij me het zicht ontneemt. Ik zoek dekking achter de kerkmuur van 't Sas en wanneer ik me even later weer op weg begeef, zie ik hoe ook een andere figuur zich van de muur losmaakt.
Op straat loopt hij naast me en wanneer ik de Dijkweg insla blijft hij me vergezellen. In mijn metgezel herken ik met toenemende zekerheid het personage waarvan ik hier eerder al een schermafdruk gemaakt heb. Voorwaar, voorwaar, naast me loopt de nekker, kwelgeest die erom bekend staat dat hij onoplettende mensen in het water lokt.
We lopen de Dijkweg af tot aan de Nukkerstraat. Zijn aanwezigheid wordt hier overweldigend, wat logisch is, want de straat heeft zijn naam aan de nekker ontleend.
Ik zeg dat ik hem op Google Street View heb zien staan.
‘Ah’, zegt hij, ‘het internet is wonderbaarlijk. Mocht je weten wat ik hier nu voor mijn ogen zie.’
Ik kijk hem onbegrijpend aan en pas dan valt het me op dat de nekker een merkwaardige bril draagt. ‘Ken je dit niet?’ vraagt hij, ‘Er is nochtans al veel om te doen geweest. Dit is Google Glass, een draagbare computer in de vorm van een bril.’
Ik ben een beetje van mijn melk, want zo’n hoogtechnologisch snufje is wel het laatste wat je bij een folklorefiguur verwacht. ‘’t Is een prototype,’ zegt hij, ‘En ik moet zeggen dat het wonderbaarlijk is.’
‘Wat zie je dan wel?’ vraag ik.
‘Ik zie stomende seks,’ antwoordt hij, ‘de app stelt je in staat om een vrijpartij te herbeleven. Straf hoor. Levensecht.’ 
Omdat ik sprakeloos naar hem blijf kijken, legt hij het me uit. ‘Het idee is simpel. Deze morgen had ik seks met de nekkerin en nu kan ik daarvan via Google Glass nog vijf uur nagenieten.’
We komen aan de Nukkerbrug en hij biedt me zijn bril aan: ‘Wil je eens kijken? Echt heel goed hoor.’
Ik weet niet zeker of ik dat wel wil zien, seks tussen nekkers, maar ik durf zijn aanbod niet te weigeren. Ik zet de bril op en word deelgenoot aan het liefdesspel van die twee.
Hoe ik vervolgens in het water van de Noord-ede gesukkeld ben, weet ik niet, maar ik mag van geluk spreken dat daar toevallig een wijkbewoner passeerde die mijn hulpgeroep aanhoort heeft.

Flor Vandekerckhove

— Op Google Street View kon ik enige weken geleden deze foto van de Nukkerstraat maken. Meer daarover vind je hier. —

woensdag 4 oktober 2017

Mandelstam: vermoord omwille van een gedicht

— Politieportret van Osip Mandelstam (1891-1938). —
Op een koude novembernacht, in 1933, leest Osip Mandelstam zijn jongste gedicht voor. Hij doet dat in besloten kring, want zegt hij: ‘In Rusland wordt poëzie ernstig genomen, je kunt ervoor gedood worden.’ Het betreffende gedicht wordt later bekend als het Stalin Epigram. Die bekendheid is relatief, want nergens vind ik een Nederlandse vertaling. Op het internet zoek ik drie Engelse en twee Franse versies en maak er een eigen vertaling van, waarop ik nu een tevreden blik mag werpen.

We leven zonder vaste grond onder de voet
Onze woorden dragen geen tien passen ver.
Maar als we dan toch iets willen zeggen
laat het dan over de bergbeklimmer van het Kremlin gaan.

Zijn vette vingers wemelen als levend aas,
zijn woorden hebben het gewicht van een kwintaal.
De man met de kakkerlakken snor die spot
draagt laarzen waarvan de toppen glanzen.

Hij troont te midden van zijn kippen zonder kop,
toegewijde halfmensen wiens ijver hij bespeelt.
De ene fluit, aan ander blaat, een derde knort
terwijl hij buldert en met zijn vinger wijst.

Hij smeedt decreten als waren ‘t hoefijzers
Een voor ‘t hoofd, het oog, de slaap, de lies.
Elke executie is een feest
en groot is de appetijt van de Osseet.

De consternatie in de kamer is groot. Onmiddellijk vernietigen!, zegt de ene. Deze avond heeft nooit plaatsgehad, zegt iemand anders. Maar gezegd is gezegd. En zoals je weet: er is altijd wel iemand die het gaat voortvertellen. Wat betekent dat de kippen zonder kop het te horen krijgen en uiteindelijk ook hij die buldert en met zijn vinger wijst.
Mandelstam kan nu alleen nog wachten op de klop op de deur. Die komt er in 1934. Hij wordt opgepakt en in de Loebjanka ondervraagd.
Daar ‘bekent’ de dichter dat hij nooit zo’n voorstander van de bolsjewieken geweest is, maar toch. Na 1920, zegt hij, ‘karakteriseerde mijn politiek en sociaal bewustzijn zich door een groeiend vertrouwen ten aanzien van de politiek van de communistische partij en van de Sovjetautoriteiten. In 1927 werd dat vertrouwen aan het wankelen gebracht door mijn oppervlakkige maar warme sympathie voor het trotskisme…’
En het vertrouwen komt niet meer weer, integendeel.
In de Loebianka wordt dat alles genoteerd onder de titel: Contrarevolutie van de schrijvers. De ondervrager maakt Mandelstam duidelijk dat het hem vooral om diens Stalin Epigram te doen is. En of hij het even wil opschrijven. Mandelstam doet het, zonder verpinken.
Er zijn er daar al voor minder vermoord, maar Mandelstam ontsnapt wel aan het ergste, althans voorlopig, want de Russische literatuur beleeft in 1934 een hoogmis met het ‘Eerste Congres van de Sovjetschrijvers’. En dan is het toch beter dat er in de voorafgaande weken niemand vermoord wordt omdat hij een gedicht geschreven heeft. Mandelstam wordt verbannen en zijn vrouw mag mee.
Het sleutelwoord in bovenstaande paragraaf is ‘voorlopig’. Wanneer Mandelstam uit ballingschap terugkeert probeert hij weer als schrijver aan de bak te geraken. Hij contacteert de Unie van de Sovjetschrijvers die daar zijn fiat voor moet geven.
De secretaris-generaal van die schrijversbond, Vladimir Stavski, brengt de gevreesde Nikolaj Jezjov schriftelijk op de hoogte. In die brief praat hij Mandelstam aan de galg. De slotzin luidt: ‘Eens te meer vraag ik u om een bijdrage te leveren om het probleem Ossip Mandelstam te regelen.’ De brief leert ons wat de Unie van Sovjetschrijvers feitelijk is. Niet alleen is het een club die, in naam van het socialistisch realisme, alle creativiteit onderdrukt, het is ook een filiaal van de geheime politie.
Op 17 mei 1938 mag Mandelstam het nog eens gaan uitleggen. Er zijn nieuwe bezwarende feiten: ‘Mandelstam onderhield nauwe contacten met de vijanden van het volk Stenitch en Kibaltchitch, tot op het ogenblik dat die laatste uitgewezen wordt.’ Met de eerste wordt wellicht Valentin Stenitch bedoeld, die James Joyce in ’t Russisch vertaald heeft (misdaad!); het pseudoniem van de tweede is Victor Serge, die in Rusland openlijk de kant van Trotski kiest. Vijf jaar werkkamp wordt Mandelstams deel, wat voor iemand met zijn gezondheid een doodvonnis is. Ossip Mandelstam sterft op 27 december 1938. Een getuige verklaart: ‘Men maakte een plaatje aan zijn been vast, smeet hem met nog andere lijken op de wagen en dumpte hem in een gemeenschappelijke graf.’
Flor Vandekerckhove

Vitali Chentalinski. La Parole Ressuscitée. Dans les archives littéraires du K.G.B.  Uit het Russisch in het Frans vertaald door Galia Ackerman en Pierre Lorrain. Editions Robert Laffont, Paris 1993. 462 pp.

maandag 2 oktober 2017

De ontmoeting met Rolf

De tafel is groot en ik ben klein. Het is warm, het is zomer. Er is massaal veel volk naar de kust afgezakt, dit is het seizoen waarin het geld verdiend wordt. Ik voel de stress. Ik ben vijf.
Ik heb geen honger. De boterham blijft onaangetast liggen. Hij ligt daar al van in de vroege ochtend en hij ligt daar nog.
Vervolgens schrik ik van de stem van mijn moeder die me als straf naar de kelder stuurt. Ik vind dat onrechtvaardig, maar ze duldt geen tegenspraak. Ze duwt de boterham ruw in mijn hand en trekt de kelderdeur achter mij dicht. Ik ga op de bovenste trede van de houten trap zitten en gooi de boterham naar beneden. Daar, in het halfduister, wordt hij een witte vlek op de grauwe keldervloer. Ik ben moe.
Wakker word ik doordat mijn neus jeukt. Ik kijk naar een jongen die me met een pluimpje aan ‘t kietelen is. ‘Dag slaapkopje,’ zegt hij, ‘wat doe jij hier?’
‘Ik woon hier’, antwoord ik.
‘In een kelder?’ De jongen kijkt om zich heen. Het lijkt hem geen woonplaats te zijn. 'Hier is niet eens een WC', zegt hij.
Daarom zeg ik: ‘Ik woon ook in het huis dat erboven staat.’
De aanwezigheid van de jongen beangstigt me geenszins. ‘Hoe heet jij’, vraag ik,‘ waar woon jij, wat doe je hier?’
Ik heet Rolf’, zegt de jongen, ‘Rolf is het omgekeerde van Flor, en Ik kom je boterham opeten.’
Dat vind ik wel goed.
‘Ik woon in Eneder B, zegt Rolf nu,da’s het omgekeerde van Bredene en ik kom hier om samen met jou op avontuur te gaan.’ Hij lacht vrolijk en zegt: Kom, hop met de beentjes.’
Rolf en ik trekken de kelder in. Intussen leert hij me een lied waarvan hij zegt dat het onze hymne is: En we gon no ’t froent / achter perdestroent / En we gon der vele rapen.
Als we bij het keldergat aankomen, steekt Rolf zijn hoofd erdoor zodat hij de straat kan zien. ‘Voor mijn ogen’, zegt hij plechtig, ‘ontplooit zich de bovenwereld. No pasarán!’ Hij keert zich om, kijkt me aan en zegt bezwerend: ‘Dit is een toverspreuk: no pasarán!
Nu wordt het tijd om naar mijn uitgangspositie terug te keren. Rolf verdwijnt via ‘t keldergat en ik zit weer op de trap. Nog altijd zing ik luid van ‘t froent en perdestroent.
Met een ruk trekt moeder de kelderdeur open. Ze trilt. Met uitpuilende ogen kijkt ze naar het kind dat ze verwekt heeft. Ik staak mijn gezang, twijfel een ogenblik en zeg vol overtuiging: ‘No pasarán!

Flor Vandekerckhove

zaterdag 30 september 2017

Cargo


Dit wordt een moeilijke. En ’t gaat nochtans maar over een film, een brokje fictie, een verhaal. Naar die film ben ik, net zoals duizenden (!) Oostendenaars, gaan kijken. Ik dacht: ik ga daar niet meteen iets over schrijven, ik laat het eerst een beetje bezinken. Maar… Dat bezinken duurt inmiddels al vele dagen en het blijft moeilijk.
Cargo is een film van Gilles Coulier over een Oostendse vissersfamilie. De film beschrijft een wereld die ik erg goed ken. Een kwarteeuw lang heb ik daar een tijdschrift uitgegeven. Vijfentwintig jaar lang heb ik er de neergang van aanschouwd — zowel van de vissersgemeenschap als van dat tijdschrift. Da’s lang. Het is… té lang.
Kommer & kwel, ijzer dat dag en nacht tegen een kaaimuur schraapt, grijze kaaien in grijs weer, abonnees die afhaken, de zee die klaagt & reders die zagen, de kwalijke zijde van het kapitalisme, adverteerders die hun facturen niet langer betalen, doden die op zee achterblijven — en dat zijn er niet weinig —, nattigheid in alle betekenissen van het woord, wind die door de kieren van het redactielokaal waait, stemmen van mannen die het gewoon zijn om te schreeuwen, geruzie & leugens & zinnen van één woord… En vooral dat: de voordurende en hopeloze neergang van iets wat ten dode opgeschreven is. Vijfentwintig jaar lang. Dat gaat niet in je koude kleren zitten.
Mensen die met een romantische blik naar de visserij kijken zullen mijn weerzin niet goed begrijpen, maar wie de situatie een beetje kent begrijpt me al veel beter. In die weerzin sta ik trouwens verre van alleen, je moet dit eens lezen.
Ik was maar wat blij toen het uur van de pensionering sloeg. Boeken dicht, inpakken en wegwezen! Maar zo eenvoudig gaat dat niet, zo heb ik daarna moeten ondervinden. Daardoor valt het me nu zo moeilijk om een commentaar op Cargo te schrijven, een film die me terugduwt in iets waaraan ik al zo lang probeer te ontsnappen.
De regisseur maakt een meesterlijk portret van de visserij en de protagonisten eveneens. Ik herken het verhaal, de stemmen, beelden, kleuren, geluiden en geuren. Heel de prent baadt in de koude, grijze, uitzichtloze wereld die mij zo na geweest is en die ik nu zo grondig beu ben. Dat er figuranten uit de vissersgemeenschap aan de film participeren legt er nog een schep bovenop. En heb ik in die film de stem van de aalmoezenier niet gehoord? Aaaaaaah!
Nooit eerder heb ik tijdens het aanschouwen van een goeie film de zaaluitgang in ’t oog blijven houden, maar tijdens deze goeie film heb ik dat wel gedaan. Want ook dat heb ik in de visserij geleerd: je kunt maar beter op alles voorbereid zijn: mayday mayday! 
Flor Vandekerckhove

CARGO, 1,30 u. Regisseur: Gilles Coulier. Cast: Sam Louwyck (Jean Broucke) , Wim Willaert (Francis Broucke), Sebastien Dewaele (William Broucke) ,…. Productie: De Wereldvrede (Gilles Deschryver en Gilles Coulier) en Halal (NL). Distributie: Dutch Film Works (DFW).

donderdag 28 september 2017

Herinneringen aan ’t Stapelhuis (2)


De ondertitel van de blog liegt niet: dit is de plaats waar ik herinneringen ophaal. Daartoe behoren ook die aan ’t Stapelhuis, een lokaal in Gent, waarover ik hier eerder al een stukje gepost heb.
Daar is nogal wat reactie op gekomen. Daardoor weten we nu met zekerheid dat de verbouwingswerken in augustus ‘77 van start gaan en dat het ‘socio-kultureel centrum’ op 15 september '78 de deuren opent. De leukste reactie komt van Willie Panhuis die haar fotoalbum onder de arm neemt en ermee naar de kust spoort. Wat me toelaat een tweede stukje te publiceren — O lio lio la, onze herinneringen groeien aan!
— Vincent Pauwels (°1950 - †2000)
zonder wie 't Stapelhuis wellicht nooit
afgeraakt zou zijn. —
Dit tekstje zit geprangd tussen twee fotomontages. Deze bovenaan geeft een idee van het gebouw (1), de verbouwing (2&3) en het eindresultaat (4). 
Foto 1 toont de bouw zoals we die indertijd aantreffen. Rik De Coninck herinnert zich die periode: In 1977 kwam ik in Gent en toen was het lokaal van de RAL nog op de Sint-Kwintensberg. Ik weet dat jij in die periode opdracht kreeg om een ander lokaal te zoeken, dat je, volgens eigen zeggen, met verschillende voorstellen kwam, maar dat die geen genade vonden. In een ultieme poging heb je toen een laatste suggestie gedaan, namelijk een stapelhuis met drie verdiepingen en drie of vier grote rolluiken aan de straatkant in de Frans Ackermansstraat. Dat was toch niet erg praktisch… Tot je grote verbazing was het bingo! En het lokaal had meteen een naam: Stapelhuis.’ Ook Dirk Cosyns herinnert zich het prille begin: ‘Als architect werd ik verzocht om inderhaast te zorgen voor een bouwaanvraag, aangezien gebouw en werken verzegeld waren. Alles werd in orde gebracht en de betonnen trap naar de eerste verdieping werd goedgekeurd.’ Daar heeft, zo herinnert Eddy Labeau zich dan weer, toch enige tijd tussen gezeten [Foto 2]: De aannemer, die na lang talmen de monumentale betonnen trap goot die toegang verleende tot de eerste verdieping met de grote zaal en de bar, sprak Vincent Pauwels respectvol aan met "Mijnheer Vincent". Zonder Vincent zouden wij het daar ook erg koud hebben gehad. Niet alleen stond hij in voor het aanleggen van de centrale verwarming (Leen Mestdach heeft daar ook aan meegewerkt), daarna kwam hij ook telkens uit Evergem over om die op tijd aan te steken - zo'n gebouw is niet in een wip warm...’. Waarmee ook de naam valt van degene die daar veruit ’t meeste werk geleverd heeft: Vincent Pauwels.
Eddy Decreton herinnert zich het Stapelhuis aldus: ‘Ik heb er vele uren doorgebracht, vooral om de bar [foto 4] open te houden. Maar zonder Vincent Pauwels was er wellicht nooit een Stapelhuis geweest.’ Dat betekent dan weer niet dat anderen niet aan de verbouwing geparticipeerd hebben. Zegt Karin Criel: ‘Op de benedenverdieping waren de toiletten. Jean-Paul Van Bendeghem heeft nog geholpen om die te plaatsen, meen ik mij te herinneren. Voor mijn geestesoog zie ik hem nog lopen met een wc in zijn nek. Altijd als ik iets van hem zie of lees, moet ik daaraan denken.’ Ja, ik kan me wel voorstellen dat je zo'n beeld niet uit je geheugen krijgt.
Om een lang verhaal kort te maken: op 15 september 1978 is het gebouw gebruiksklaar. Uit de fotoverzameling van Willie Panhuis kies ik deze van een etentje, couscous!, dat daar op 21 oktober ’78 doorgaat. Op onderstaande foto’s herkennen we (1) Magda Devos; (2) Eddy Labeau; (3) Vera Meeus; (4) Vincent Pauwels (†); (5) Adriënne Depreester (†); (6) Marc Staelens; (7) Eddy Decreton; (8) Christine Bilaey; (9) Michel Colijn.

Flor Vandekerckhove
(Alle foto's komen uit het archief van Willie Panhuis.)

woensdag 27 september 2017

Merkwaardig restant van stalinistisch bedrog



— Alexander Voronski werd twee keer door de 
stalinistische politie opgepakt, een eerste 
keer in 1928 (de twee bovenste gevangenisportretten), 
de tweede keer was in 1937 (onderste politiefoto’s). 
Volgens de Wikipedia werd hij op 13 augustus 1937 
berecht, veroordeeld ‘en waarschijnlijk 
dezelfde dag nog geëxecuteerd.’ —
Ik open het postpakket en lees de lange titel ‘Alexandre Voronski 1884-1943 Un bolchevik fou de littérature’. (°) Heb ik een verkeerd boek besteld? Gaat dit over een andere Voronski? Is dat wel de man waarvan ik een biografie wil lezen?
Mijn twijfel betreft het in de titel vermelde jaar van overlijden, 1943. Omdat ik hier eerder al iets over Voronski geschreven heb verwondert dat jaar me. Is die mens niet in 1937 vermoord?
Ik raadpleeg het internet en alle bronnen bevestigen wat ik al weet: 1937 is het jaar waarin deze literatuurcriticus door Stalins beulen terechtgesteld wordt. Waarom schrijft zijn biograaf dan 1943?
Het antwoord vind ik in een ander boek. (°°) Daarin gaat de auteur in Rusland op zoek naar documenten betreffende veroordeelde schrijvers. Zelf interesseert me daarin vooral wat hij over Isaak Babel weet te vinden, mijn lievelingsauteur. Dat blijkt niet weinig te zijn. Ik heb er, daar, al een eerste stukje over gepubliceerd, er volgen er nog.
Dit is wat Vitali Chentalinski leest in Babels dossier: ‘Het vonnis werd uitgevoerd in Moskou op 27 januari 1940’. Dat is een openbaring, want elders lees ik: ‘Antonina Nikolaïevna, die nog niet wist dat ze weduwe was, wachtte, hoopte en ging door met het versturen van verzoeken. Men antwoordde haar: “Hij leeft, in goede gezondheid, in de kampen…” 1944, 1945, 1946 gingen voorbij met dezelfde bevestigingen. In 1947 kwam er goed nieuws: Babel zou het daaropvolgende jaar vrijkomen (…)’
‘Hij kwam niet weer in 1948, maar de hoop bleef. (…) Geruchten deden de ronde: iemand had Babel in Kolyma gezien… Of in de streek van Krasnoïarsk… Ze wachtte.’
Veertien jaren gaan voorbij. Stalin sterft. Families beginnen na te gaan wat er gebeurd is: ‘In 1954 vraagt de vrouw van Babel: “(…) ik vraag u zijn dossier te onderzoeken en om zijn lot in de mate van het mogelijke te verzachten”.’ Ten gevolge van deze brief wordt duidelijk dat Babel al lang vermoord is. Hij wordt gerehabiliteerd, maar de datum van zijn dood blijft ook dan nog onduidelijk.
— De biografie van Voronski vermeldt 1943
als jaar van overlijden (zie pijl). Is de vergissing
een restant van stalinistische vervalsing?
 — 
 
 
Wat ze met Babel doen hebben ze daar met vele anderen gedaan. Zegt Chentalinski: ‘(…) van de lijst van gefusilleerden die ik had leren kennen, had ik de data vergeleken met de officiële data van overlijden van auteurs tijdens de terreur, zoals die in de Literaire Encyclopedie vermeld werden. De vervalsing was overduidelijk. Om de waarheid te verbergen noteerden de mannen van de Organen willekeurige data (…) Van wie neergeschoten was zei men dat ze veroordeeld waren tot “tien jaar kamp, zonder recht op correspondentie”, en hun families zochten hen, hoopten en wachtten. En tijdens de eerste rehabilitaties, in ’t midden van de jaren vijftig, behielden de meesters van de wet de schijnheilige en leugenachtige traditie: ze lieten in de certificaten valse data zien en valse oorzaken van overlijden (…). En deze bedenksels worden vandaag geloofd in de encyclopedieën en referentiewerken (…).’ Voor de data van overlijden werden veelal oorlogsjaren gekozen, waarmee men de indruk wekte dat die mensen in de oorlog omgekomen waren.
Ik keer terug naar de biografie van Voronski. De indrukwekkende bibliografie waarmee Kastler afsluit leert me dat hij zich omzeggens volledig op Russische bronnen baseert. Komt het daardoor dat hij het overlijden van Voronski verkeerdelijk in 1943 situeert? Zeker weten doe ik dat niet, maar het lijkt er wel op. Ook zie ik dat Claude Kastler professor is aan de Stendhal Universiteit van Grenoble. Er zijn er daar wellicht al voor minder gebuisd.
Flor Vandekerckhove

(°) Claude Kastler. Alexandre Voronski 1884-1943 Un bolchevik fou de littérature. Grenoble. © ELLUG 2000. 184 pp.
(°°) Vitali Chentalinski. La Parole Ressuscitée. Dans les archives littéraires du K.G.B. Uit het Russisch in het Frans vertaald door Galia Ackerman en Pierre Lorrain. Editions Robert Laffont, Paris 1993. 462 pp.