zaterdag 17 februari 2018

Het Moment


— Links op de achtergrond het restaurant Plassendale, rechts mijn sigarettendoosje. —

Dit is wie ik ben! Zo zit de wereld in elkaar! Daar ligt mijn toekomst! In het leven van elke mens komt er een moment waarop alles duidelijk wordt. De Amerikaanse schrijfster Joy Williams noemt dat moment anamnesis, ‘teweeggebracht door het ingrijpen van de Heilige Geest’, maar ik weet niet of dat waar is.
Dat moment komt altijd onverwacht en soms ook heel ongelegen. Mij overkwam het in een gehucht dat Plassendale heet, in een restaurant dat, omdat het daar gelegen is, eveneens Plassendale heet.
In die tijd mocht je in een restaurant nog roken, er werd nog in Belgische franken afgerekend. Je kunt je voorstellen hoe lang ’t geleden is.
Ik was er gaan eten op kosten van meneer Delanghe, en helaas ook in diens gezelschap. De borden waren afgeruimd, ’t was tijd voor de koffie en daar hoorde een sigaret bij. 
Omdat kant & klare sigaretten voor mij onbetaalbaar waren rookte ik shag. Ik had zo’n doosje waarin een voorraadje zat en vloeitjes, en met dat doosje kon je een sigaret draaien. Klap, zei het dekseltje, en er sprong een welgevormde sigaret uit. Als ik al iets mis van ’t roken, dan is ’t dat doosje.
Ik zette het op tafel en wilde aan het ritueel beginnen, maar meneer Delanghe onderbrak me met deze sissend uitgesproken woorden: ‘Steek dat weg! ’t Zit hier vol met klanten van me.’ Verschrikt keek ik om me heen. Hij stak me vlug een Marlboro toe en ja, toen was het daar opeens: mijn moment.
Terwijl niet alleen ik, maar ook meneer Delanghe, alsmede al zijn klanten in dat restaurant een filtersigaret opstaken, werd alles me duidelijk. Dat ik mijn tijd aan het verdoen was bijvoorbeeld, dat meneer Delanghe een luxueus blok aan mijn been was, dat ook de shag voor mij onbetaalbaar duur zou worden, dat er een witte kassa in restaurants zou komen, dat het klimaat zou veranderen en dat de GB op den duur Carrefour zou heten, dat ik moest ophouden met roken, dat bosbranden, files en overstromingen dagelijkse kost zouden worden, dat Russische vrouwen zich op ‘t internet aan mij zouden presenteren in de hoop er een frank aan over te houden, dat Bob Dylan de Nobelprijs zou winnen, dat koning Boudewijn geen lang leven beschoren was en zijn opvolger wel, dat Stefan Hertmans in ‘t Engels vertaald zou worden, dat de goden wel degelijk kosmonauten waren en dat Google dit verhaal tot bij u zou brengen. Zo’n moment was dat!
Flor Vandekerckhove

donderdag 15 februari 2018

Een oude discussie over schoonheid

Onlangs kreeg ik een bericht van Joris Van der Borght, een man die veel tegelijk is, maar in mijn computer toch vooral de bevlogen animator van de Bruthausgallery.
In die galerie wordt op 17 februari een kunstboek van Haider Jabbar voorgesteld en tegelijk toont Joris er werk van deze Iraakse kunstenaar. Vroeger zou ik daar zeker naartoe gaan kijken zijn, want Van der Borght is een toffe pee met het hart op de juiste plaats. Maar sinds ik met pensioen ben claim ik het recht op luiheid en kies ik ervoor om er, vanuit mijn zetel bij het raam, iets over te schrijven.
Hij kondigt het als volgt aan: Bruthausgallery toont, verdedigt en volgt het werk van Haider Jabbar nauwgezet op, omdat ook deze kunstenaar de Bruthausgallery visie illustreert. Kunst dient immers niét mooi te zijn, kunst dient vragen op te roepen en moet ons laten stilstaan bij de tijd waarin we leven. Kunst dient een actuele blik op authentieke wijze weer te geven op wat is. En dit wars van alle trends.’
Het is mooi gezegd, maar betekent het ook iets? Kan ik de ‘Bruthausgallery visie’ bijvoorbeeld ook op iets projecteren wat geen kunst is, op journalistiek bijvoorbeeld? Journalistiek dient immers niét mooi te zijn, journalistiek dient vragen op te roepen en moet ons laten stilstaan bij de tijd waarin we leven. Journalistiek dient een actuele blik op authentieke wijze weer te geven op wat is. En dit wars van alle trends.’
Of op verhalen? Verhalen dienen immers niét mooi te zijn, verhalen dienen vragen op te roepen enzovoort.’
Of op een bril? Een bril dient immers niét mooi te zijn. Een bril dient een actuele blik op authentieke wijze weer te geven op wat is. En dit wars van alle trends.’
Het is allemaal waar, maar is het niet even waar dat kunst, journalistiek, verhalen en een bril wel degelijk mooi dienen te zijn? En zou schoonheid de visie van de Bruthausgallery in de weg staan?
Op het internet speur ik naar werk van Haider Jabbar. De opgeroepen beelden laten me inderdaad stilstaan bij de tijd waarin we leven enzovoort. Maar het valt tegelijk niet te ontkennen dat Jabbars werk, hoe wreed het ook oogt, van een ontzettende schoonheid is.
Flor Vandekerckhove


° De galerie bevindt zich in de Molenstraat 84 te Waregem. Alle info betreffende het boek en de tentoonstelling vind je op Bruthausgallery.

dinsdag 13 februari 2018

69


— Deze sculptuur uit een van de tempels van Khajuraho wordt dit jaar mijn totem. —

Op 12 februari heb ik het onvermeld gelaten, maar op die dag ben ik wel 69 geworden.
Voor de gelegenheid had ik een stukje klaarliggen dat rond de fameuze soixante-neuf-positie cirkerde. Dat wilde ik op mijn verjaardag evenwel niet posten omdat het er dan op geleken had dat ik naar uw verjaardagsfelicitaties aan ’t hengelen was.
Vandaag publiceer ik het evenmin, omdat het bij nader inzien iets te melig is. Meligheid is absoluut te mijden eens je 69 bent. Wat van het standje niet gezegd kan worden, want dat is uitermate geschikt voor alle leeftijden en zeker voor al de mijne.
Het stukje, dat ik klaarliggen had, bestaat nu niet meer, ik heb het in de prullenmand gegooid. Ik behoud wel de afbeelding, een sculptuur uit een van de tempels van Khajuraho. Daar maak ik dit jaar mijn totem van.
Helaas heb ik nu geen tekst meer liggen om mijn nieuwverworven leeftijd te verwoorden. Dat is een beetje spijtig, want ik heb in die 69 jaar veel zelfkennis vergaard. Die wil ik graag met u delen.
Omdat ik zelf niets liggen heb, neem ik mijn toevlucht tot het oeuvre van Willem Elsschot die niet alleen Het Huwelijk pijnlijk schoon beschreven heeft, maar ook de ouderdom.
De Klacht van den Oude is een monoloog in verzen, waarin een mens op leeftijd klaagt dat hij het oud-zijn niet gewoon raakt. Zelf heb ik daar geen last van, want ik voel me al heel mijn leven een zestigplusser. Wellicht komt het ook daardoor dat de laatste negen jaar de mooiste van mijn leven zijn.
Maar wat ik me afvraag: is het zo dat u me gadeslaat? Wanneer ik langs de huizen trek / loert men mij na, als ware ik gek, / alsof mijn plannen en mijn zonden / op mijnen rug te lezen stonden. Dat zou wel eens kunnen, want ik voel me enigszins verwant met den Oude uit de slotverzen van Elsschots vreselijke gedicht:

Ik ben een schurk, ik ben een hond,
geen rustplaats waard in heil’gen grond,
en ‘k wil een hoog rantsoen betalen
voor elken bundel zonnestralen:

Maar laat mij doen met eigen vuur
wat ik verkies, zoolang ik duur.
En terg ons niet: mij armen stakker,
en Satanlief, mijn laatsten makker.


Flor Vandekerckhove

maandag 12 februari 2018

Whisky en Ricola

Meneer Delanghe is een hoerenloper die geld en smetvrees heeft. Het eerste helpt als je een hoerenloper bent, het tweede werkt dat eerder tegen. Vandaar dat je meneer Delanghe alleen in etablissementen aantreft die proper zijn, de hoeren en de bedden. En dan mag het ook iets kosten.
Meneer Delanghe vertelt me over een bordeel dat hem met twee hoeren naar een studio leidt. Uit de gelagzaal neemt hij een fles whisky mee. Chique studio, chique hoeren. Rollebollen in het salon, stoeien op de divan. Vlak voor het moment suprême laat meneer Delanghe de halflege fles achter de sofa staan, want de roep van het hemelbed is onontkoombaar.
Na afloop wassen ze zich gedrieën in de gesofistikeerde douche en thuis schrobt meneer Delanghe alles nog eens extra van zich af.
De daaropvolgende dagen moet meneer Delanghe een tandje bijsteken om de in dat bordeel gemaakte put te dempen, maar tegen het einde van de maand staat alles weer op punt. Dat viert meneer Delanghe in datzelfde bordeel en weer begeeft hij zich met twee (andere) madammen naar de ons alreeds bekende studio.
Terwijl hij in de sofa van het schouwspel geniet dat die twee voor hem op het tapijt ontvouwen stoot zijn arm op de halflege whiskyfles die hij een maand eerder, achter de sofa, achtergelaten heeft.
Meneer Delanghe ziet er, wellicht terecht, het bewijs in dat het bordeel niet zo proper is als de prijs het laat vermoeden. Hem zullen ze daar niet meer zien.
Zelf ga ik niet naar hoerenkoten, maar ik ga wel naar de cinema. Daar nuttigen mijn lief en ik telkens snoepjes van het merk Ricola. En weet je wat ik doe als zo’n pakje leeg is? Dan leg ik het daar half uit ’t zicht, op een lichtbak of een armatuur. 
Wanneer we later nog eens in die zaal zijn, kijk ik altijd of mijn pakje daar nog ligt. Dat heb ik van meneer Delanghe geleerd.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 10 februari 2018

Had Hotel Prison een klusjesman?

Erik, een oud-schoolmakker, maakt in Bredene deel uit van toneelkring De Klisse. Binnenkort voert dat gezelschap daar De klusjesman op, een stuk waarin hij de titelrol speelt.
Hij stuurt zijn oude maten een mail, zeggende dat het een onderhoudende voorstelling wordt, met een mooie cast, maar, voegt hij eraan toe: ‘niet zo mooi als de cast van Hotel Prison indertijd.’ Waarmee hij naar een toneelstuk verwijst dat pakweg een halve eeuw geleden door jeugdclub Patro opgevoerd werd.
Zelf houd ik daar geen herinneringen aan over. Of het zouden deze moeten zijn: gingen de repetities door in de danszaal Tijl? Speelde er een meisje mee waarvan de naam me nu ontsnapt; de snelle, zwartharige dochter van een schipper uit de Bruggelaan? Haakte regisseur Daniël C. al na de eerste repetitie af omdat geen van de acteurs naar hem wilde luisteren?
Ik vraag Erik naar meer. Hij antwoordt: ‘Ik vermoed dat er niets van weer te vinden is, zeker geen programmafolder. We hebben dat één keer opgevoerd, als ik me niet vergis in het kader van de jaarlijkse bijeenkomst van “De Vrienden van Lourdes”. Ik vind ook geen foto's. Als iemand nog iets heeft dan zal het Ivan zijn. Een krantenartikel? Misschien dat Ivan (weer hij) daar voor gezorgd heeft.’
Hop, ik naar Ivan, maar ook hij moet me teleurstellen. In zijn dagboek vindt hij alleen een verwijzing naar een ander toneelstuk, Stadhuistribulaties, waaraan ik evenmin herinneringen overhoud.
Ik googel Stadhuistribulaties. Het internet leidt me naar een blijspel in één bedrijf. Je moet hier maar eens kijken. Het werd in de jaren vijftig door een pastoor geschreven, wat me laat vermoeden dat Stadhuistribulaties eerder door de K.S.A. opgevoerd werd.
Gesterkt door deze onverwachte vondst googel ik ook Hotel Prison. Het net wijst me eerst op een boek met die naam, maar met een toneelstuk heeft dat niets te maken. Verder is de informatie karig maar reëel: de eerste opvoering die een spoor achterlaat dateert van 1957 in Lokeren, het gezelschap Lust naar Kunst doet dat daar nog eens over in 1966; in 1961 toont toneelkring Ik Dien dat spel in Muizen en in 1960 heeft Koninklijk Toneelgezelschap Uilenspiegel uit Diest dat ook gedaan; in 1963 staat het op de affiche van Toneellabo Arlecchino uit Lier. Het stuk heeft duidelijk geleefd in de vroege jaren zestig, maar ook in 1981 speelt De Dommelbron in Linde een blijspel in drie bedrijven dat zo heet. OpenDoek, de koepelorganisatie voor het amateurtoneel, vermeldt het werk hier. Het werd geschreven door J. Tanguy en G. Villiane, en uit het Frans vertaald door Jan Van Driessche. 
Het is niet veel, maar ’t is toch al meer dan wat ik er een uur geleden van wist. En kijk, daar vind ik nog een Hotel Prison, maar dat is een gids die je langs 19 oude gevangenissen voert die nu hotels geworden zijn. Niet wat ik zoek, maar wel leuk om weten.
Flor Vandekerckhove


° Toneelkring De Klisse speelt De klusjesman in het MEC Staf Versluys op 9 en 10 maart om 20 uur en op 11 maart om 14,30 u. Toegang: 9 €. Zondagmiddag 7 € voor wie 65+ is (aren’t we all?!)

vrijdag 9 februari 2018

’t Was midden in de nacht

Een vreselijke klap… Ik schrok. ’t Was nacht, ’t was nacht, ’t was midden in de nacht, het klokje stond op 02:00. Ik wist meteen dat inslapen een karwei zou worden, want daar kwamen ze in galop aangerend, de gedachten, en deze keer circuleerden ze rond zeven vlooien, vier witte en drie rooie, een Hollands kinderliedje dat zich God weet hoe in mijn hoofd genesteld had. Ze hadden vaders onderbroekkie an, een broek met gouden knopen… 
Wilde ik m’n nachtrust niet aan zo’n onzin verliezen dan moest ik opstaan, even de zinnen verzetten en het daarna weer proberen. Ik ging naar beneden, knipte de lamp aan en nam een ouwe krant ter hand.
Een ver land werd getroffen door een aardbeving; elders was een vliegtuig neergestort; een openbare aanklager eiste levenslang; rechts piekte in de peilingen; het leven werd onbetaalbaar duur, aanslag hier, aanslag daar; een tijdschrift riep Trump uit tot de invloedrijkste persoon van 2019
Niet het soort literatuur dat me tot rust kon brengen en net toen ik de krant wilde wegleggen, bleef mijn oog aan dat jaartal vasthaken: 2019. Drukfoutje, dacht ik, en om daar zeker van te zijn zocht ik op de frontpagina naar de datum. Ik las 13 januari 2019.
2018, 2019? Het is iets waaraan je twijfelt als je uit je slaap gerukt wordt. Een broek met gouden knopen, die wilden zij verkopen… Kon ik het juiste jaartal ergens vinden? Ik vroeg me af of de sprekende klok nog bestond. En zegde die klok ook het jaartal als je erom vroeg? Die wilden zij verkopen. Aan wie, aan wie, aan wie? Had ik een jaar overgeslagen? Was ik in de twilightzone terechtgekomen?
Ze trokken mijn vaders baggerlaarzen an… Van slapen zou nu niets meer in huis komen. Ik gebruikte de krant om het houtvuur aan te steken. Daarna vleide ik me in de zetel. Ik legde een deken over mijn benen en keek naar de likkende vlammen waarvan men zegt dat ze een mens tot rust brengen. Daar zaten zeven vlooien, vier witte en drie rooie.

Flor Vandekerckhove


woensdag 7 februari 2018

Zijn redactionele visie


Naar aanleiding van het 80-jarig bestaan van Het Visserijblad werd Flor Vandekerckhove in 2013 uitgenodigd in de studio van de regionale televisie. Aan reporter Caroline Verstraete ontblootte hij zijn redactionele visie. Volgens onbevestigde geruchten zou Verstraete die visie achteraf als volgt in haar intiem dagboek samengevat hebben.

Men zegt hoofdredacteur, een woord waarbij je ook aan andere redacteuren denkt, aan onderredacteuren of mederedacteuren, maar die zijn er niet. Hij zit daar helemaal alleen. Hoofdredacteur? Ik denk dat ze dat zeggen om met hem te lachen.
Hij is geen hoofdredacteur, hij is zelfs nauwelijks een redacteur. Alles wat op zijn bureau belandt steekt hij in een mapje en als ’t vol zit fietst hij ermee naar de drukker; hij doet niet eens de moeite om het allemaal te lezen. Iets wat hij trouwens met zijn abonnees gemeen heeft.
In de jaren tachtig was dat anders. Toen moest hij alles overtypen, waardoor hij al die binnenvallende stukken wel moest lezen. Zijn redactionele tussenkomst bestond er toen vooral in om al dat materiaal ferm in te korten, wat hem veel tikwerk uitspaarde. Sommige medewerkers waren daar kwaad om: ze mochten gáán, terwijl hij hen nariep: De persvrijheid is beperkt tot de mensen die zelf een pers bezitten!
Gelukkig waren daar al gauw de computer en het internet, de mailbox en de toetsencombinaties copy en paste, wat lezing van de ingezonden stukken overbodig maakte. Een vooruitgang die hij hard had toegejuicht.
Zelf gebruikt hij dat blad alleenlijk om ongebreideld tegen kerk, staat & kapitaal tekeer te gaan — een mens moet toch iets doen, zegt hij. Al de rest is bladvulling.
U kunt de wenkbrauwen optrekken alsmede het voorhoofd fronsen, maar het is een visie die wel meer voorkomt. Al zult u hen dat niet luidop horen zeggen: de meeste redacteurs vinden bijdragen van derden alleen maar goed om hun eigen ding te omkaderen.
Zijn systeem heeft ook nadelen. Hij heeft eens twee keer dezelfde boekbespreking geplaatst en ook eens drie edities na elkaar dezelfde column. De auteur van die column is de enige die het opgevallen is en in ’t geval van die boekbesprekingen heeft zelfs de recensent het niet gezien.
Soms gebeurt het dat iemand hem aanspreekt omwille van iets wat hij schrijft. Als hij er al op ingaat dan blijkt al gauw dat zo’n lezer er gewoon zijn eigen ding van maakt, iets heel anders dan wat er te lezen staat. Dat heb je goed geschreven, zegt zo’n mens hem dan. En daarna trakteert hij die mens op een pint.

Flor Vandekerckhove

dinsdag 6 februari 2018

Stagger Lee en de seksualiteit

Er waren twee voorstellen. Het ene was Stagger Lee en het andere De seksualiteit. Samen met de overgrote meerderheid had ik voor het eerste gestemd, ook omdat we ons bij het tweede niet veel konden voorstellen. Dat kwam van een medeleerling die later meneer Delanghe zou heten, maar die we toen nog De Etter noemden. Hij had niet alleen die afwijkende titel voorgesteld, hij had ook geweigerd om zich achteraf bij de meerderheidsbeslissing neer te leggen. Hij bleef vasthouden aan De seksualiteit.
De onderwijzer zat er danig mee verveeld en hij stelde De Etter op ’t einde van de dag een compromis voor: Stagger Lee en de seksualiteit. Daarmee kon De Etter blijkbaar leven. Iedereen blij. Wij zouden een opstel over Stagger Lee inleveren en De Etter zou schrijven over Stagger Lee en de seksualiteit.
Diens opstel ging alzo van start.
De nacht was klaar, de maan was geel en de bladeren vielen van de bomen. De honden blaften naar twee mannen die aan het dobbelen waren. De mannen heetten Stagger Lee en Billy. Stagger Lee verloor al zijn geld aan Billy en ook zijn cowboyhoed. Stagger Lee ging naar huis om zijn revolver te halen en hij schoot Billy dood.
Zo ging het een bladzijde lang door. Stagger Lee schoot hier iemand neer en daar weer iemand anders. Benieuwd zocht de onderwijzer naar de seksualiteit, maar hij vond niets. Toen sloeg hij de bladzijde om en daar stond de slotzin: Stagger Lee was een man die niet met zijn kloten liet spelen.

Flor Vandekerckhove

zondag 4 februari 2018

Costers duiven

— Vanuit mijn raam kijk ik uit op camping Duinzicht, het terrein
van de familie De Coster, palend aan de Rozenlaan. Dagelijks kijk
ik naar hun duiven die het zwerk doorklieven. —
Op mijn vaders erf staat de laadbak van een vrachtwagen. Daarin maken mijn maat Norbert en ik een duivenhok. Van mijn opa krijgen we een oud koppel dat in ons hok al vlug voor nageslacht zorgt. Waarna de duivenouders er vandoor gaan, een daad die even onverantwoord als onverklaarbaar is. Mijn maat en ik blijven achter met een duivenjong.
Norbert, die meer in de kweek beslagen is dan ik, maakt papjes die we mondjesmaat toedienen tot het duifje er de brui aan geeft en sterft. Ik herinner me de gezwollen krop.
Daar moet ik weer aan denken, terwijl ik de duiven van Coster het zwerk zie doorklieven. Ik kijk er dagelijks naar en geraak er nooit op uitgekeken. Dat komt doordat er een grote rust uitgaat van het kijken naar vogels, maar het heeft misschien ook met die ervaring uit mijn kindertijd te maken.
Daar heb ik wellicht een krasje aan overgehouden. Anders is het niet te verklaren waarom ik, volwassen en al, nog een aantal keren probeer duiven te houden.
Al mijn pogingen mislukken, behalve misschien die keer in Nazareth, waar ik witte pauwstaarten kweek. Dat gaat goed tot de wegen van mijn echtgenote en ik zich scheiden en ik het echtelijke dak verlaat. Hok en duiven verhuizen naar Wetteren, naar de woning van Leo Copers die me in ruil twee tekeningen geeft.
Die laat ik enkele jaren later helaas achter in het huis van alweer een andere vrouw wier wegen zich van de mijne scheiden. Leo is zijn duiven dan al lang kwijt, want zodra hij ze boven Wetteren loslaat keren ze naar Nazareth terug, om daar te constateren dat hun hok er niet meer staat.
Aan dat alles moet ik denken terwijl ik naar Costers duiven kijk en luister hoe Guido Gezelle me zijn vers in ‘t oor fluistert: Klap-klap-klap, / zij zijn daar weder; / hoort ge vlug hun vlerken slaan?/ klap-klap-klap, / ze vallen neder…
Zelf ga ik dat niet meer doen, duiven houden. Het leven heeft me geleerd dat ik een man van woorden ben en niet van daden. Ik laat Coster met de duiven spelen en beperk me tot dit spel met woorden klap-klap-klap da’s al moeilijk genoeg.

Meer over Flor Vandekerckhove: hier.

vrijdag 2 februari 2018

In twee gespleten

— Maandelijks publiceert de blog Het Voorlaatste (!) Visserijblad een reeks archieffoto’s, beelden van de Vlaamse vissersgemeenschap. De lading van februari staat hier. — 

Het vissersschip ligt klaar om af te varen. Voor het zee kiest krijgt een matroos van de kapitein opdracht om nog vlug iets op te halen. Daardoor komt het dat de matroos aan de wal een gesprek kan afluisteren tussen een aantal vissersvrouwen, waarbij de echtgenote van de kapitein het hoge woord voert. Ze spreekt een vloek uit. De kapitein zal op zee aan zijn einde komen, het schip zal vergaan.
Van het vervolg bestaan twee versies.
In de ene vergaat dat schip met man en muis. Wat deze lezing waardevol maakt is dat ze een volkse verklaring geeft voor het verdwijnen van de zeekapiteins uit de visserij. Die vormden daar ooit een aparte sociale stand, dat waren grote meneren. Aan boord hadden ze een aparte kamer en een eigen badkamer. De aparte status werd in de stad verduidelijkt doordat ze drankgelegenheden frequenteerden waar matrozen zich niet lieten zien.
In de Vlaamse visserij zijn er vandaag geen kapiteins meer. Ze zijn samen met de grote trawlers uit de vloot verdwenen. De gezagvoerders van de kleinere schepen heten niet kapitein maar schipper. Deze versie van het verhaal is een parabel die vertelt hoe dat komt.
En dan de tweede versie. De matroos heeft het gesprek afgeluisterd en kruist op de terugweg een pastoor aan wie hij om raad vraagt. De priester antwoordt: ‘Om middernacht zult gij hoge golven zien aankomen. Als ge dan een kruisteken met wijwater maakt zullen die golven verdwijnen.’ De matroos doet wat hem gezegd wordt en slaagt er zodoende in de vloek af te wenden.
Ook die versie heeft een onderliggende betekenis: katholieke rituelen zijn sterker dan de toverkunsten uit de heidense volkscultuur.
Welke versie is gebaseerd op waargebeurde feiten? Voor beide valt iets te zeggen. Maar het is de tweede die tot in de Vlaamse Volksverhalenbank geraakt. Misschien heeft de slotzin van de tweede versie meegeholpen: ‘Bij hun thuiskomst stelden de zeelieden vast dat hun echtgenotes in twee waren gespleten.
Best niet te veel over nadenken zeker. In twee gespleten!

Flor Vandekerckhove