dinsdag 22 augustus 2017

Over het nut van kopiëren

Ooit bezocht ik een bevriende kunstenaar die zijn bete broods verdiende door ’s avonds les te geven. In het atelier had hij postkaarten verdeeld, reproducties van schilderijen. De leerlingen moesten zo’n postkaart naschilderen. Hijzelf liep minzaam murmelend rond: Goed, goed zo. En als ’t niet goed was, zei hij: ’t Zal wel goed komen.
Mij leek dat wel een gemakkelijke manier om je geld te verdienen, maar dat je op die manier iemand kon leren schilderen, daar had ik grote twijfels bij. Ik vergeleek het met iemand die pakweg Het verdriet van België overpent om te leren hoe je een roman maakt.
Daar moest ik weer aan denken toen ik de memoires van Bob Dylan aan ’t lezen was. (°) Dylan begint klein. Hij zingt andermans teksten. Hij bestudeert intensief hoe anderen dat gedaan hebben. Hij noteert woordelijk teksten van bijvoorbeeld Woody Guthrie. En onderzoekt waardoor ze zo krachtig zijn. Misschien is dat wel, dacht ik, het equivalent van de schildersles van mijn vriend.
En dit is wat ikzelf ook al ondervonden heb. Wanneer ik een ietwat lange tekst van iemand anders overschrijf, bijvoorbeeld om die te citeren, valt het me op dat je dan significante details opmerkt die je anders over ’t hoofd ziet. Bijgevolg: misschien is ’t niet eens zo gek om eens een verhaal van een groot auteur woordelijk over te schrijven. (Ook dan neem je wellicht beter iets wat korter is dan Het verdriet…)
Dat had ik onlangs weer, met het citaat van Karel van het Reve dat ik wilde aanwenden om er mijn Verdraagzame Jehova’s getuige mee te larderen: Het zijn geen politieke of levensbeschouwelijke grenzen, maar moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties, smaak, fatsoen, redelijkheid, een zekere persoonlijke halsstarrigheid ook, die de beschaving van de barbarij scheiden.’
Terwijl ik die zinnen overschrijf valt me die ‘halsstarrigheid’ op als iets wat schuurt met ‘proporties, smaak, fatsoen, redelijkheid.’ Wat bedoelt Karel? Moet je halsstarrig zijn om over fatsoen te beschikken? Of bedoelt hij het omgekeerde: dat halsstarrigheid je daarbij in de weg staat? Bedoelt hij dat je op een dunne koord danst waar halsstarrigheid aan de ene kant in evenwicht moet zijn met gevoel voor proporties, smaak, fatsoen en redelijkheid aan de andere? Heeft Karel hier slecht geformuleerd of juist erg goed?
Ik heb het citaat gevonden bij Philippe Clerick, een oud-maoïst die nu erg zijn best doet om de bende van De Wever gelijk te geven — en die de bekende gelijkhebberigheid van de maoïsten van links naar rechts heeft meegenomen. Ik besluit het hem te vragen, want Clerick is naast een betweterige rechtse blogger ook, zo heb ik toch de indruk, een goede leraar Nederlands.
Dit is wat hij me over dat citaat schrijft: ‘Ik geloof wel dat ik aanvoel wat de meester (mijn meester) hier bedoelt. Een mens mag zich niet laten meeslepen door zijn politieke of levensbeschouwelijke ideologie. Hij moet die altijd opnieuw aftoetsen aan gevoel voor proporties, smaak, fatsoen en redelijkheid. (…). Maar nu: die halsstarrigheid. Redelijkheid, smaak, fatsoen e.d. hebben we allemaal wel in zekere mate, maar die worden niet alleen bedreigd door ideologie, maar ook door het idée reçue, door wat iedereen zegt, door de conventie. De halsstarrigheid is nodig om op je eigen gevoel voor proportie, je eigen smaak etc. terug te kunnen vallen. Als iedereen dat doet, zal dat wellicht leiden tot soepeler relaties tussen de mensen. Het is niet een verschil in persoonlijke smaak dat leidt tot fanatisme en ruzie, wel de ideologische verblinding enerzijds en het conformistische groepsdenken anderzijds. Kortom, ik volg je eerste interpretatie: dat halsstarrigheid helpt, misschien niet om smaak en fatsoen te hebben, maar om die eigenschappen te bewaren.’
Flor Vandekerckhove


(°) Bob Dylan. Kronieken. Amsterdam Nijgh & Van Ditmar. 311 pp.

maandag 21 augustus 2017

Mark Cromphout: een technisch onderlegde jongen uit ‘t college


— Tegen die tijd was ik al uit dat Oostendse college weg. Toen deze schoolfoto genomen werd liep ik wellicht welgezind & fluitend door de Gentse straten. Maar deze jongens maakten in 1968-69 hun laatste jaar rond in de afdeling die Wetenschappelijke A genoemd werd: (1) ?; (2) Roger Van Colen; (3) Daniël Vandievel; [[(4) Arsène Carron; (5) Roger (Plong) Ramon]]; (6) Roger Kerckenaere; (7) Johan Sinnesael; (8) José Boeve; (9) Dirk Janssens; (10) Freddy Dekerf; (11) René Jungbluth; (12) Herman Tilleman (broer van Danny T.); (13) Marc Dubois; (14) Pierre Moyson; (15) Mark Cromphout; (16) Daniël Hinderyckx; (17) Daniël Cobbaert; (18) ?; (19) Luc Vandepitte; (20) Carlos Dura; (21) ?; (22) ?; (23) Michaël Decloedt; (24) Rik Dehaemers; (25) Robert Moreels; (26) Walter Proot; (27) Roger Allaert; (28) Freddy De Vos; (29) ?; (30) Ludo Sallaerts; (31) ?; (32) Ronny Goethals. —

Daarvoor doe ik het. De zin dringt zich op wanneer ik dit briefje in mijn mailbox krijg. Daarvoor doe ik het slaat op blogposten waarin ik schoolfoto’s plaats. Ik doe het in de hoop dat iemand zijn naam googelt, via zo'n foto onverwachts in mijn blog terechtkomt en het ene vervolgens het andere voortbrengt.
Het briefje komt van Mark Cromphout. Hij staat als nummer 19 op de foto’s die ik hier van mijn jaren in het lager middelbaar publiceer.
We kennen elkaar niet goed. Wellicht komt dat doordat ik een externe leerling ben, terwijl Mark zijn nachten in het internaat doorbrengt; gescheiden werelden. Misschien komt het ook doordat Mark een jaar blijft hangen en in een andere groep terechtkomt.
Andere schoolmakkers herinnert Mark zich wel. Wilfried Laforce bijvoorbeeld, die ons in het lopen allemaal voorbijgestoken heeft. Of Chandler wiens tragische verhaal ik eerder al beschreven heb. Van René Jungbluth herinnert hij zich dat het een goede leerling wiskunde was. Vooral Ronny Goethals, hier onder het nummer 11, herinnert hij zich goed: ‘Hij was een goede makker, zeer sportief, kon gelijk welke turnoefening. Hij zwom, dook en deed aan parachutespringen; in Stene deed hij aan polsstokspringen. Ronny was een beetje de Wilfried Laforce van onze klas, maar dan minder in het lopen. Ronny is geboren in Congo (Matadi, denk ik). Het eerste jaar humaniora liep hij op het college, vervolgens trok hij weer twee jaar naar Congo om uiteindelijk de laatste 3 jaar in ‘t college af te maken. Zijn ouders waren toen nog in Congo denk ik. Zou voor ‘pol en soc’ gaan. Verder geen info meer.’ Het is trouwens op zoek naar Ronny’s coördinaten dat Mark in mijn blog terechtkomt.
— Mark Cromphout (°1950) —
Het noodlot heeft ervoor gezorgd dat hij nooit Ludo Van Kerschaever, hier nummer 37, zal vergeten: Ludo en ik waren van plan ons samen in te schrijven in Brussel (Sint Lukas, architectuur), maar hij is zo ver niet geraakt. Per autostop is hij naar Brussel vertrokken maar onderweg is de wagen in een verkeersongeval betrokken geraakt, met als gevolg dat Ludo verschillende maanden in de coma heeft gelegen en uiteindelijk, in 1968, overleden is.’
En hoe is het Mark Cromphout (°1950) vervolgens vergaan?
Na zijn studies aan Sint-Lucas Brussel (twee jaar architectuur, twee jaar werfleider bouw) komt hij eerst in ’t hoofdkwartier van Colruyt terecht waar hij onder meer Jan Decreton leert kennen. Daarna verkoopt hij producten die met industriële weegtechniek te maken hebben, producten die zijn broer in een eigen bedrijf ontwikkelt. Zijn beroepsloopbaan sluit hij af in hetzelfde Sint Lucas waar hij eerder gestudeerd heeft. Daar wordt hij diensthoofd voor het onderhoud van de gebouwen. Hij woont in Wetteren, is getrouwd, vader en grootvader, en nu ook gepensioneerd.
Intussen is ook dit gebeurd. Op een beurs in Tunis maakt Mark kennis met twee plaatselijke studenten elektronica. Zij worden uiteindelijk zijn partners in Cotech, een Tunesisch bedrijf waar Mark nog altijd bij betrokken is en dat daar inmiddels twaalf mensen tewerkstelt. Je moet hier maar eens kijken, je zult, net als ik, versteld staan.

Flor Vandekerckhove

zondag 20 augustus 2017

Verdraagzame Jehova’s getuige

In DM Zomeruur, een zaterdagse katern van de krant De Morgen, staat op 12 augustus een interview met Nadia Merregaert, een Vlaamse die beeldhouwt onder haar moeders naam, Naveau.
Nadia Naveau woont met haar echtgenoot in Saint-Bonnet-Tronçais en het interview maakt deel uit van een reeks waarin Rik Van Puymbroeck Vlamingen ondervraagt die (deels) in Frankrijk wonen. Ik volg de reeks omdat ik er al eens oude bekenden in tegenkom (Stefan Hertmans, Michiel Hendryckx), en ook omdat ik daar zelf een huisje heb, waarin ik zou wonen, ware het niet dat de liefde er inmiddels anders over beschikt heeft. Een mens kan niet alles hebben. Waaraan mijn vader placht toe te voegen 'een schoon wuuf en veel geld.' (Mijn vader kende Trump niet.)
Mijn oog blijft vasthaken aan wat Nadia Naveau over haar ouders vertelt.
Haar vader is professor microbiologie en virologie geweest aan de Universiteit van Antwerpen. Het gezin verhuist naar de Verenigde Staten en komt uiteindelijk naar Vlaanderen terug, naar Mol, waar vader gaat werken in het Studiecentrum voor Kernenergie.
De interviewer noteert nog iets. Nadia: ‘Mijn ouders zijn getuigen van Jehova en zo ben ik dus opgevoed. Streng, tot op een bepaalde leeftijd toch van de wereld afgesloten.’ Als kind is ze van deur tot deur gegaan met tijdschriften als De Wachttoren [niet te verwaren met De Laatste Vuurtorenwachter] en Ontwaakt!.’
Van dat geloof is ze inmiddels wel af: ‘En stilaan zijn de gesprekken gevolgd. Uiteraard. Ik ken veel families waar die gesprekken tot breuken hebben geleid, maar niet bij ons. Het gekke vind ik zelf dat mijn vader, professor microbiologie, heel overtuigd is. Ik heb hem daar al naar gevraagd en hij zegt dat hij die twee zaken gescheiden houdt. Wetenschap en geloof. Ze blijven overtuigd. Maar we zijn close gebleven.’
Waarmee het woord van Karel van het Reve ook in geloofskwesties bewaarheid wordt: Het zijn geen politieke of levensbeschouwelijke grenzen, maar moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties, smaak, fatsoen, redelijkheid, een zekere persoonlijke halsstarrigheid ook, die de beschaving van de barbarij scheiden.’

Flor Vandekerckhove

vrijdag 18 augustus 2017

Dit is geen…

— Luc Blomme. Ceci n'est pas une Magritte.
2017. Olie op doek. 100 x 70 cm. —
Op 15 augustus krijg ik van Luc Blomme een bericht. Hij wijst me er op dat René Magritte vijftig jaar geleden overleden is. Er hangt een bijlage aan vast: de afbeelding van een schilderij, een werk van Luc, een door Magritte geïnspireerde parodie: Ceci n’est pas une Magritte. En, vraagt Luc, kan mijn "Magritte" je inspireren? Waarna hij zelf het antwoord geeft: ik ben er zeker van.
Er volgt een tweede berichtje. Daarin staat een onverholen instructie: En om mijn pa te citeren: begin je stukje niet met: ’s morgens smeerde moeder mijn boterhammen. Ha, dat vraagt om enige uitleg.
Luc is de oudste zoon van Albert Blomme, de onderwijzer die me het eerste stijladvies ooit gegeven heeft. Dat heb ik hier al eens verteld.
Wat Luc me bijgevolg zegt is dit: verras me! Dus ga ik hem iets over René Magritte vertellen wat hij, daar ben ik haast zeker van, niet weet. En ik ga mijn stukje larderen met passende, niet toevallig vermelde vooizen die als aangenaam neveneffect hebben dat ze Luc aan diens eigen jeugd herinneren. En jou misschien aan de jouwe; wie de namen van vermelde groepjes aanklikt kan horen of dat al dan niet het geval is.
In Bredene laten Georgette en René Magritte hun hond uit. De oorlog is voorbij en Lothar Wolleh maakt van hen een foto. Ze lopen door de Kapellestraat en stoppen voor een kleerwinkel. Daar zien ze in de etalage mannequins staan die helemaal in doowop gekleed zijn, een stijl die hen tot tranen toe ontroert, net zoals het koppel ook ontroerd wordt door de doowopliedjes van The Moonglows, The Penguins, The Orioles en The Five Satins.
Wanneer ze weer in het Hotel Helvetia komen, hangen ze Do Not Disturb aan de klink van hun kamerdeur. Ze ontdoen zich van hun kleren en dansen naakt in het maanlicht dat door het raam naar binnenvalt. Muziekinstrumenten hebben ze daarbij niet nodig, want doowop laat zich gemakkelijk a capella zingen. Georgette zingt van shoo-wap-dee-wap-wap en René antwoordt met dun dun dun dun dun.
Heel dit wonderbaarlijke gebeuren geschiedt alleenlijk doordat Paul Simon iets soortgelijks bezingt in zijn mooie song Rene And Georgette Magritte With Their Dog After The War. Ik zet de link hieronder.
Waar staan mijn dancing shoes ook alweer? Shoo-wap-dee-wap-wap!
Flor Vandekerckhove



woensdag 16 augustus 2017

Leren bloggen met De Laatste Vuurtorenwachter


Net als elke schrijver heeft ook de blogger a room with a view. Ik geef tien tips voor de inrichting ervan. De cijfers verwijzen naar bovenstaande fotografische afbeeldingen.
Centraal in het leven van de blogger staat de fauteuil [1]. Deze van mij is een afdankertje van een Oostends hotel. Hij zit een beetje hard, vandaar dat ik er kussens aan toevoeg. Beginnende bloggers kan ik aan zo’n vuurtorenwachterzetel helpen, want dat hotel had wel meer zitjes weg te geven. Mijn garage staat er vol van. Wilt u dat ik er een voor u apart zet, draai dan 7 9 7 2 0 4 en vraag naar Will.
Onmisbaar is de laptop [2]. Dat is een computer die u op de schoot kunt zetten. Met een bureaumodel is het schier onmogelijk, dat begrijpt u ook wel, om vanuit een fauteuil te bloggen.
Bijzonder nuttig is de poef [3]. Hij laat u toe tijdens het bloggen de benen te strekken, wat goed is voor de bloedcirculatie. Bijkomend voordeel is dat u er de laptop op kunt plaatsen wanneer u het bloggen even onderbreekt, bijvoorbeeld om een kakje te doen.
Zelf ben ik een groot voorstander van het gebruik van de lessenaar [4]. Wanneer de blogger behoefte heeft om uit een boek te citeren, dan laat de lessenaar dat gemakkelijk toe, zoals de foto het demonstreert.
Optioneel is het contragewicht [5] dat de lessenaar in balans houdt. Omdat mijn vensterbank niet erg breed is zou de lessenaar er anders afdonderen. Een andere mogelijkheid bestaat erin de vensterbank te verbreden, maar dat is duurder, temeer daar de klusjesman van de gelegenheid gebruik zal maken om waterleiding en elektriciteitsnet te hernieuwen, alsmede een spouwmuur aan te brengen.
De ventilator! [6] De laptop die ik gebruik dateert van voor Trumps presidentschap en is derhalve niet aangepast aan de door hem nagestreefde milieucatastrofe. De ventilator helpt het toestel af te koelen, alsmede mijn benen.
Elke blogger dient over een calpin [7] te beschikken, waarin hzij notities plaatst: invallen, boodschappenlijstjes, citaten, eerder opgezochte vertalingen… Mijn calpintje is van het chique merk Moleskine, maar die uit de Action zijn mijns inziens even goed.
Bijzonder nuttig zijn wasspelden [8]. Dit eenvoudige hulpmiddel laat de blogger toe om nog meer op de lessenaar te plaatsen. De speld kan achteraf, samen met potloden, gommen, calpintje, oorwatjes en andere fikfak in de lessenaar opgeborgen worden. (Wel eerst het contragewicht [5] verwijderen.)
Zelf raad ik aan om een DAB-radio [9] aan te schaffen. Ten eerste wordt de blogger dan niet langer geplaagd door de storende FM-ruis, ten tweede kunt u op DAB luisteren naar Klara Continuo, die voortdurend mooie muziek uitzendt, zonder dat u zich nog langer hoeft te ergeren aan de kinderachtige tussenkomsten van Bart Stouten op Klara. Ten derde kunt u daar ook luisteren naar een zender die continu het meest recente radionieuws herhaalt, waardoor u het bloggen niet op ongepaste tijdstippen hoeft te onderbreken.
Laat me u ten slotte mijn weerstationnetje [10] aanprijzen. De werking is simpel. Wanneer het regent staat het mannetje buiten. Als het vrouwtje buiten staat regent het ook, maar dan staat de centrale verwarming aan.
Zonder dank.

Flor Vandekerckhove  

maandag 14 augustus 2017

Bij de zijnen


Iemand zei me dat hij Georges gezien had, en, zo voegde hij eraan toe: ‘Hij is nog goed bij de zijnen. Ik moest even nadenken. Wat betekent het Vlaamse bij de zijnen ook alweer? Ik gaf het denken al gauw op en riep: ‘Ha, die Georges! Ik wist niet eens dat hij nog leefde’. Dat was niet gelogen, ik wist het niet.
‘Hij leeft zeker nog’, zei die andere, ‘hij woont in het oudemannenhuis, en hij is nog goed bij de zijnen.’
‘Bij de zijnen?' vroeg ik, 'in het oudemannenhuis?’
‘Ja’, zei die andere, ‘nu hij nog goed bij de zijnen is, moet je hem eens opzoeken.’
De nadruk die hij op dat vreemde bij de zijnen legde liet me begrijpen dat het een kwestie van tijd was. Als ik Georges nog bij de zijnen wilde meemaken dan moest ik hem nu opzoeken.
Ik deed het meteen. Bij de in- en uitgang bleef ik geduldig wachten. Want die deur opent zich met een nummerslot en ik ken die combinatie uiteraard niet, maar toen een bezoeker de code intikte kon ik met hem mee. Ik liep de gang af en keek naar de naamkaartjes. Bij het tweede had ik al prijs: Georges.
De kamerdeur stond open en ik ging naar binnen. Georges lag in bed en was zichtbaar verwonderd me daar te zien. Wat wederzijds was, want ook ik was erg verwonderd hem hier te zien. Hij keek me met grote ogen aan en zei niets.
‘Jij bent toch Georges?’ vroeg ik onzeker.
De man ging rechtop zitten en vroeg me wie ik was. Voor iemand die bij de zijnen was stelde hij toch wel merkwaardige vragen. Ik zei dat we waarschijnlijk verre familie van elkaar waren.
‘Hoe ver?’ wilde hij weten, maar daar kon ik geen goed antwoord op geven. Ik maakte me ervan af: ‘Zeer ver.’
‘Wat kom je hier doen?’ vroeg hij vervolgens. Ook daarop kon ik geen goed antwoord geven, het waren gewoon te moeilijke vragen. Ik begon te denken dat mijn bezoek te laat kwam en dat men hem hier gauw zou weghalen om hem achteraan te herbergen, in het gedeelte van het oudemannenhuis waar degenen verblijven die niet meer bij de hunnen zijn.
‘Dan ga ik maar weer’, zei ik en ik keerde op mijn stappen terug. Toen ik de uitgang van het oudemannenhuis bereikte en naar buiten wilde gaan, riep iemand me onverwachts toe: ‘Waar gaat u naartoe?’
Ik keerde me om, zag dat het een verpleegkundige was. Ik antwoordde naar waarheid dat ik naar huis ging.
‘Kom maar met me mee’, zei de man. Hij nam me vriendelijk maar kordaat bij de arm en gidste me doorheen de gangen tot helemaal achteraan, tot achter de deur met het nummerslot, tot in het gedeelte waar degenen zoals ik verblijven, tot bij de mijnen als het ware.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 12 augustus 2017

Het vierspan van de hippodroom


— Natuurgebied D’Heye, waar eertijds de hippodroom van Bredene gevestigd was. Op de achtergrond zien we de kerk en de watertoren van Bredene Dorp.—

'Hier is ’t gebeurd’, zegt hij, ‘hier vlak voor je neus.' Ik luister naar de oude man die ik in zijn rolwagen tot hier geduwd heb. We bevinden ons op D’Heye in Bredene en meer bepaald in de bocht waar de Koerslaan zich naar de Batterijstraat slingert. We kijken uit over een weiland waarin grote brokstukken liggen, restanten van wat ooit de tribune van een paardenrenbaan geweest is.
Ik heb de man in café Krugerhof ontmoet. Daar ben ik heen gefietst om meer te vernemen over een kwestie die ik in onderstaande alinea probeer samen te vatten.
Op 29 maart 2001 krijgt volksvertegenwoordiger Gilbert Vanleenhove antwoord op een parlementaire vraag. Het betreft natuurgebied D’Heye. Dat antwoord bevat een intrigerende passage: ‘De ruiters van de voormalige hippodroom (…) kunnen als historische relicten (…) in het gebied behouden blijven.’ (°) Hoezo, de ruiters kunnen behouden blijven?
De waardin van Krugerhof heeft me de man aangewezen als iemand die er alles van weet. ‘In die tijd was ik een verwoed stroper en ik had overal stroppen staan’, zo gaat hij van start ‘en hier stonden er vier.’ Zijn arm wijst in vier verschillende richtingen. ‘Ik kwam mijn strikken inspecteren en ja, het bleek vier keer raak te zijn. Vier grote konijnen. Haast te schoon om waar te zijn, nietwaar?’
— Detail uit het ministeriële antwoord op de vraag 
van Vlaams volksvertegenwoordiger Vanleenhove. —
Zijn verhaal neemt een wending. ‘Er was nog iets,’ zegt hij, ‘Toen ik de eerste strop opende hoorde ik een stem die zei: “Kom en zie!” en dat herhaalde zich bij de tweede, derde en vierde. Telkens was er dat “Kom en zie!”. Het was best akelig. Ik wilde er meteen weer vandoor gaan.’
Terwijl zijn blik over D’Heye dwaalt vertelt hij verder: ‘Nu zag ik in de verte een vierspan naderen. Eerst traag, daarna vlug en op den duur razendsnel. De paarden waren bedekt met een doek, ze trokken een lijkwagen, en de koetsier gaf ze flink de zweep. Vluchten kon niet meer. De paarden vertrappelden me alsof het niets was, waarna ik ook de lijkwagen over me heen kreeg. De wielen waren als messen en ze sneden me beide benen af.’
Ik kijk naar de deken die de plaats bedekt waar ’s mans benen plachten te zitten en ik ben erg onder de indruk. Maar het verhaal is hiermee niet afgelopen.
Ik lag daar te midden van een plas bloed en zag dat het vierspan achter die brokstukken,’ en hij wijst me de restanten van de hippodroomtribune aan, ’een bocht maakte en langs de andere kant terugkwam. De koetsier liet de paarden naast me stoppen, nam mijn twee benen onder de arm, legde ze in de corbillard en ging er te vierklauw weer vandoor. Toen ik weer bij bewustzijn kwam lag ik in het hospitaal.’
Ik zie dat de man uitgeput is en ik beslis hem naar het Krugerhof terug te duwen. Daar vraagt de waardin me of hij het verhaal van het vierspan verteld heeft. Ik knik.
‘Ik weet nog altijd niet wat ik ervan moet denken’, zegt ze, ‘maar een ding is zeker. Telkens als het volle maan is horen we hier het draven van de paarden over D’Heye.’ En ze wijst in de richting van de plek waar de man me zijn verhaal verteld heeft.
Flor Vandekerckhove

(°) Vraag nr. 136 van 29 maart 2001 van de heer Gilbert Vanleenhove. Te lezen op https://docs.vlaamsparlement.be/docs/bva/atomiseringen/ato2000-2001/nr13/dua/136.pdf.

woensdag 9 augustus 2017

Het oneigenlijke gebruik van de Cap Arcona

— Het Duitse passagiersschip Cap Arcona voer in betere tijden tussen Hamburg en Zuid-Amerika. Het schip was 206 meter lang en werd in 1927 gebouwd. De foto's die verder in dit stuk afgedrukt worden geven een idee van de luxe aan boord. —

De Cap Arcona is bijzonder luxueus: koninklijke suite, victoriaanse cabines, kostbaar meubilair, tennisveld, wintertuin, sportzaal… Tijdens WOII, na de Duitse inval in Polen, wordt het schip naar Dantzig (Gdansk) gestuurd om er als logies voor de Kriegsmarine te dienen.
In 1944 moeten de bezetters de stad verlaten: de Russen komen! De Arcona wordt ingezet om Duitsers uit de stad te evacueren. Op weg naar Kopenhagen heeft het schip af te rekenen met motorpech en zelfs na reparatie lijkt het einde van de Cap nabij.
Het vaartuig wordt op 14 april 1945 verankerd in de baai van Lübeck. Op dezelfde dag beslist SS-chef Himmler dat geen enkele gevangene uit de uitroeiingskampen levend in handen van de geallieerden mag vallen. Opdat de praktijken voor altijd verborgen zouden blijven begint de SS alle kampbewoners te liquideren.
Hen ter plekke doden gaat te traag. Daarom stuurt de SS de resterende gevangenen de weg op; de beruchte dodenmarsen. Die zijn even tragisch als efficiënt. Velen komen onderweg om. De overlevenden komen aan in Lübeck.
Om geen enkel spoor na te laten beslist de SS hen aan boord te brengen van vaartuigen die ze nadien in volle zee zal laten torpederen. De gevangenen krijgen bevel om naar de haven te marcheren, waar de Cap Arcona voor anker ligt en ook de cargoschepen Thielbek, Athen en Deutschland
Op 18 april 1945 meldt de SS dat de schepen in een ‘speciale operatie’ ingezet worden. Kapitein Heinrich Bertram (Cap Arcona) en zijn collega John Jacobsen (Thielbek) krijgen het hele verhaal te horen. Jacobsen deelt zijn bemanning mee dat hij weigert de opdracht uit te voeren. Hij verliest meteen het bevel over het schip en wordt gedegradeerd.
Op 20 april begint de inscheping. Kapitein Nobmann van de Athene moet 2.300 weggevoerden en 280 SS-ers naar de Cap Arcona brengen, die vier kilometer ver in ’t water ligt. Als de cargo het luxeschip nadert weigert kapitein Bertram de ‘passagiers’ aan boord te halen. 
Op 26 april komt de SS met de kapitein ‘onderhandelen’. Hij heeft twee opties: of hij neemt de gevangenen aan boord, of hij krijgt de kogel. Bertram capituleert.
Het schip wordt onder SS-toezicht in orde gebracht: alles wat kan dienen om aan de verdrinkingsdood te ontsnappen wordt weggeborgen. Tegelijk wordt het transport van 6.500 gevangenen tot een goed einde gebracht. Al vlug verandert het luxeschip in een hel. Dagelijks sterven er aan boord twintig tot dertig mensen.
De Athene voert zijn laatste traject naar de Cap Arcona uit op 30 april, dit keer niet om nog meer mensen aan boord te brengen, maar om een aantal gevangenen van boord weg te halen. De situatie is immers zo erg dat de SS-bewakers niet meer kunnen overleven op het schip vol rottende lijken.
Op 30 april 1945 vernemen de gedeporteerden dat Hitler zelfmoord gepleegd heeft en dat Berlijn door de Russen ingenomen is. Maar nog steeds komen gevangenen aan in de haven en ook zij moeten een plaats op de doodsboten krijgen.
Op 3 mei liggen de duikboten klaar, wachtend op het sein om de Cap Arcona te torpederen, maar de Britse tanks staan ook al voor de stad. Diezelfde ochtend heeft een Brits verkenningsvliegtuig de Cap Arcona opgemerkt. De gevangenen wuiven enthousiast, maar omdat er vanaf de cargo Athene geschoten wordt gaat het vliegtuig de hoogte in tot waar het moeilijk is om de identiteit van de mensen vast te stellen. Tegelijk hebben Britse officieren contact opgenomen met het Zweedse Rode Kruis dat al verschillende pogingen ondernomen heeft om de gevangenen van de schepen weg te halen. De officieren krijgen de nodige informatie en ze beloven om met de gevangenen rekening te houden.
Te laat, zo blijkt, om de geplande raid te stoppen. De RAF-vliegtuigen zijn al in de baai aangekomen. Vier eskaders staan paraat om hun bommen te droppen.
In de baai hebben de Duitsers hun gevechtsboten voorzien van witte vlaggen; de Cap Arcona, Athen, Thielbek en Deutschland voeren echter nog steeds uitdagend de swastika.
Om 14,30 uur wordt het bevel gegeven. De gevangenisschepen worden gebombardeerd en gemitrailleerd. Aan boord breekt paniek uit. De gevangenen die niet in het bombardement gedood worden, niet in de daaropvolgende brand omkomen en niet verdrinken, proberen zich vast te klampen aan alles wat drijft. Velen onder hen komen door onderkoeling om, anderen worden nog in het water doodgeschoten.
Duitse vissers slagen erin enkele drenkelingen te redden. Aan wal vragen deze overlevenden aan de Britten om reddingssloepen naar de doodsschepen te sturen. Intussen is de Thielbek al aan het zinken. Van de 2.800 gedeporteerden op dat schip zullen er slechts 50 de aanval overleven; hetzelfde lot is de moedige, gedegradeerde kapitein Jacobsen beschoren.
Op de Cap Arcona zijn er 4.500 gevangenen, slechts 316 worden gered. De gevangenen van de Athen hebben meer geluk, zij worden alle gered. In totaal sterven in de baai in een half uur tijd 7.500 gevangenen van 28 verschillende nationaliteiten. Tragisch detail: vier dagen later is de oorlog afgelopen.
Flor Vandekerckhove


P.S.: Inmiddels is er een interessante reactie op dit stuk gekomen , druk onderaan op 'reacties'.

André Migdal. ‘Les plages de sable rouge’, 444 pp. Paris 2001. De auteur bevond zich als gevangene aan boord van de Athen tijdens het bombardement.

dinsdag 8 augustus 2017

Guthrie, Whitman, Dylan, Bragg, Wilco, Claus en… ik

— In wijzerzin, beginnend links bovenaan: Walt Whitman, Woody Guthrie, Bob Dylan, De Laatste Vuurtorenwachter, Hugo Claus, Billy Bragg. —

Dik twee jaar geleden publiceer ik hier een verhaal dat Het nichtje van Hugo Claus heet. De inspiratie komt uit een song van Billy Bragg en de Amerikaanse band Wilco. De song heet Walt Whitman’s Niece. De nieuwe muziek is van de Brit Billy Bragg en de oude tekst is van de legendarische Woody Guthrie.
Guthrie heeft ook Bob Dylan geïnspireerd. We mogen zelfs zeggen dat Woody Guthrie — This machine kills fascists — Dylans mentor is.
In zijn memoires (°) schrijft Dylan: 'Ik zei tegen mezelf dat ik Guthries grootste discipel zou worden. Dat leek me de juiste weg. Ik had zelfs het idee dat ik familie van hem was. (…) Eén ding was zeker en dat was dat Guthrie mij nog nooit gezien of van me gehoord had, maar ik had het gevoel dat hij tegen me zei: "Ik ga binnenkort weg, maar laat dit karwei in jouw handen achter. Ik weet dat ik op je kan rekenen".' Later gaat Dylan regelmatig op bezoek bij Woody Guthrie die doodziek in een hospitaal ligt. Dylan wijdt een meesterlijk geschreven bladzijde aan het Greystone Hospital in Morristown, een plek waar je echt niet wil toeven en hij vervolgt: ‘Tijdens een van mijn bezoekjes had Woody me verteld over een paar dozen met liedjes en gedichten die hij had geschreven en die niemand ooit had gezien en waar nog geen muziek bij gemaakt was, ze lagen weggeborgen in de kelder van zijn huis op Coney Island en ik mocht ze hebben. Als ik er iets mee wilde doen, moest ik langsgaan bij zijn vrouw Margie en uitleggen wat ik kwam doen. Zij zou ze voor me uitpakken. Hij legde me uit hoe ik het huis moest vinden.’
Vervolgens neemt Dylan ons mee op pad. Hij neemt de metro naar de terminus in Brooklyn en van daar gaat het te voet verder: ‘Aan de overkant van een veld zag ik iets wat eruitzag als een rij huizen en ik liep ernaartoe, maar toen bleek ik door een moeras te lopen. Ik zonk tot aan mijn knieën in het water, maar bleef doorlopen — bleef op de lichten letten terwijl ik verder liep, ik zag niet echt hoe ik er anders moest komen. Toen ik aan de andere kant uit kwam, was mijn broek van mijn knieën tot beneden doorweekt, stijf bevroren en mijn voeten bijna gevoelloos, maar ik vond het huis en klopte op de deur.’
Pech, Margie is niet thuis, er is een kinderoppas voor zoontje Arlo, maar niemand weet iets van die liedteksten. Dylan keert onverrichter zake weer naar huis.
‘Veertig jaar later’, vervolgt Dylan, ‘vielen deze teksten in handen van Billy Bragg en de groep Wilco. Zij maakten er muziek bij, wekten die liedjes tot leven en namen ze op, allemaal onder supervisie van Woody’s dochter Nora. Deze artiesten waren vermoedelijk nog niet eens geboren toen ik de tocht naar Brooklyn maakte.’ Wat de mannen van Wilco betreft heeft Dylan gelijk, maar Billy Bragg (°1957) was toen toch al een tiener.
Wat me weer naar het begin van dit stukje brengt, waar ik meld dat ik hier in deze blog een verhaal geschreven heb dat door een van die songs geïnspireerd werd.
Flor Vandekerckhove

(°) Bob Dylan. Kronieken. Amsterdam Nijgh & Van Ditmar. 311 pp.