woensdag 23 mei 2018

MacGuffin

— Om een goeie 'noir' te schrijven heb je eerstens
een antiheld en een femme fatale nodig.—
Ze kwam mijn kantoor binnen en vroeg me op de man af: ‘Bent u een hardgekookte detective?’ 
Omdat ik niet van gisteren ben, begreep ik dat ze op zoek was naar iemand als Philip Marlowe, een collega-speurder die de geschiedenis van de pulpliteratuur ingegaan is met het adjectief hard-boiled.
‘Wel,’ antwoordde ik lachend, ‘ik heb toch al een gleufhoed’. Eerlijkheidshalve voegde ik eraan toe: ‘maar wat u in mijn glas ziet heeft alleen de kleur van whisky, het is koude thee.’
Dat laatste, zag ik, deed haar twijfelen. Toch ging ze op de rand van mijn bureau zitten en zei: ‘Mijn naam is MacGuffin en ik ben hier om dit verhaal op gang te trekken.’
MacGuffin zag eruit alsof ze in haar jurk gegoten was. Ik moest denken aan een citaat dat zei: Ga Hier Niet Op In. Was het Raymond Chandler die dat geschreven had? Ik dacht van niet. Dus vroeg ik: ‘Kan ik u hierbij helpen?’
Ze zei: ‘Ik wil van u weten hoe ik een zeer kort zwart verhaal kan schrijven.’
Ik begreep dat ze een noir op ’t oog had. Ik schonk ons beiden een glas koude thee in en zei: ‘Wel, je hebt alvast twee personages nodig: een antiheld en een femme fatale.’
‘Dat laatste kan ikzelf wel leveren,’ zei MacGuffin en ze kruiste haar benen, ‘maar waar vind ik een antiheld?’
‘Mevrouw MacGuffin,’ zei ik, ‘wat ik ambieer is een luxueus leven en een uitpuilende bankrekening. Maar wat ik heb is een hoed en een blaffer. Volstaat dat als antiheld?’
‘We zullen zien,’ zei MacGuffin. ‘Heeft het genre beperkingen?’
‘Beperkingen zijn er zeker’, antwoordde ik, ‘je moet bijvoorbeeld de terminologie respecteren. Je moet hard-boiled zeggen en niet hardgekookt, je zegt noir en niet zwart. Dat komt,’ voegde ik eraan toe, ‘doordat elke taal eigenheden heeft die niet zomaar vertaald mogen worden, zoals bijvoorbeeld het Amerikaanse FUCK YE. Je mag dat in ’t Vlaams niet als POEP JE vertalen hé, dat slaat nergens op. Hetzelfde geldt voor het Franse Nom de Dieu de putain de bordel de merde de saloperies de connard d'enculé de ta mère! Begin er maar eens aan.’
‘Ja, dat begrijp ik’, zei ze. En ze stond op.
‘Heu, ga je nu al weg?’ vroeg ik teleurgesteld.
‘Ja,’ zei ze, ‘want het moet een zeer kort verhaal blijven.’ Waarna MacGuffin me verweesd achterliet. 
Pas nadat ik drie volle glazen koude thee achterovergeslagen had, kon ik me weer vermannen. Ik ging naar huis, waar mijn echtgenote me opwachtte met Gentse Stoverij, ook iets wat je niet zomaar mag vertalen hé.

Flor Vandekerckhove

maandag 21 mei 2018

De grote peniskap

— Afgekapte penis in mijn bezit. Let wel, alleen de meter is van Vandenbulcke. —   

Op zaterdag 19 mei meldt de krant me dat iemand alhier een kist vol afgekapte marmeren penissen gevonden heeft. (°) Wat de krant niet schrijft, lees ik wel op de site van de vrt: Verschillende bronnen bevestigen ondertussen dat het hier gaat om een onderdeel van het kunstproject en dat het dus niet gaat om een "opmerkelijke vondst".’ 
De vinder vermeldt wel een historisch feit: ‘In de 15de en de 16de eeuw werden die vaak verwijderd omdat ze naakt niet meer tolereerden. Ze werden vervangen door een vijgenblad.’ En ook: ‘De meeste van die penissen worden naar het schijnt opgeslagen in het Vaticaan, achter slot en grendel.’
Opgeslagen penissen in het Vaticaan? Daar moet Verberckmoes, historicus van de KU Leuven, hard om lachen: ‘Na het concilie van Trente hebben geestelijken wel traktaten geschreven over naakte beeltenissen. Maar een algemene verordening dat penissen afgehakt moesten worden of bedekt met een vijgenbad, die is er nooit geweest.’
Nochtans meen ik me een reportage te herinneren die een indrukwekkend grote ladekast in het Vaticaan toont, met in elke schuif een afgekapte penis, met telkens ook een kaartje dat vermeldt welke penis bij welk beeld hoort.
— 28 juli 2013. Peter Holvoet-Hanssen
overhandigt me in Oostende de afgehakte
penis (zie pijl). Foto Benny —
Nu weet ik wel dat mijn geheugen me danig parten kan spelen, maar sinds Rik Torfs daar rector geweest is weet ik ook wel dat er aan die universiteit lieden rondlopen die om ’t even wat beweren.
Mijn geheugen vindt trouwens steun in een webartikel dat heet Michelangelo slachtoffer van de Piemel-Politie van het Vaticaan: Ergens in de krochten van de Vaticaanse Musea moet een kamer zijn waar alle afgehakte piemels worden bewaard. Deze kamer is één van de meest mythische plekken van het Vaticaan.’
Ah, ik had aan deze peniskwestie geen aandacht gegeven, ware het niet dat ook ik thuis een afgekapte piemel liggen heb. ’t Is een ferm stuk en er hangt een verhaal aan vast.
In 2013 viert Het Visserijblad zijn 80-jarig jubileum. Bij die gelegenheid overhandigt dichter Peter Holvoet-Hanssen mij, uitgever van dat tijdschrift, een cadeau. Het betreft een… afgekapte penis die hij op zijn beurt gekregen heeft van iemand uit, denk ik, het inmiddels opgeheven Scheepvaartmuseum van Antwerpen.
Een relict van de piemelpolitie? Wie zal ’t zeggen? Wat ik wel weet is dat het stuk nu tot mijn erfgoed behoort en dat ik blij ben dat ik het hier enigszins heb kunnen documenteren. Mijn nageslacht stelt zich zo al vragen genoeg over de vreemde man die hun vader is; wie weet wat ze zich anders bij die penis hadden voorgesteld?!
Flor Vandekerckhove


(°) De Morgen, 19 mei 2018: Raadsel in Diest: vanwaar komt kist vol penissen?

zaterdag 19 mei 2018

1956: naar Melsbroek


Oude schoolfoto’s! Het zijn beelden die ons sputterende geheugen telkens op gang trekken. De Laatste Vuurtorenwachter heeft er al menig gesprokkeld, en zodoende uit de vergetelheid gered. Nog blijkt de voorraad niet uitgeput. Dit beeld van een schoolreis van het wijkschooltje van Bredene-Duinen kreeg ik toegestuurd van Rob Tas. Hij wist erbij te melden dat de foto van 5 juni 1956 dateert en dat de tocht naar Melsbroek ging, alhoewel hij achter dat laatste een vraagteken plaatst. Het vliegtuig lijkt hem gelijk te geven, althans in deze zin dat het overduidelijk niet de Meli is, evenmin de Kemmelberg of de Lac van Loppem. Hij kon zich ook meteen acht namen herinneren.
Ik stuurde de foto door naar enkele 70-plussers en gaandeweg geraakten we aan meer namen. Vooral het geheugen van Marc Blomme mag indrukwekkend genoemd worden.
Ik vermeld ze hieronder en deze die in 't rood staan kun je aanstippen; het systeem leid je dan naar andere plekken in de blog waar eerder al iets over de mens in kwestie vermeld werd. Mochten er nieuwe namen aan de lijst toegevoegd worden — wat ik hevig hoop — dan plaats ik die in ’t blauw. Wat je toelaat over pakweg een maand dit stukje nog eens op te roepen en te kijken of we intussen al iets wijzer geworden zijn.

De jongste gegevens: 1. Robert Willaert; 2. François Danekint; 4. Kimpe; 5. Kamiel Vermeersch; 6. Gilbert Vanleenhove (?); 8: Bernard Deputter; 9: Johan Loy; 10: Ivan Cornelis; 11: Freddy Neyrinck; 14: Robert Billiet; 15: Eric Maertens; 16: Henri Decoo; 18: Jan Poppe; 19. Hubert Steen (?); 20: Fernand Vanhille (?); 24: Roland Decouter; 26: Fernand Tas; 27: Marc Blomme; 30: Marcel Tas; 31: Ronny Verlee; 32: Willy Vanthuye; 33. Daniël Vanthuyne; 34: Rob Tas; 35: Willy Storme; 37: Willy Verlee; 38: Jef Wachtelaere; 39: Bernard Warlop; 40: Axel François; 41: Laurent Vanacker; 43: Cyriel Geerssens; 44: Albert Blomme; 45: Freddy Rotsaert; 46: Henri Mestdagh a.k.a. pater Mestdagh; 47: Robert De Roy; 48: Fernand Rosseel.
Zoals je ziet: er ontbreken nogal wat namen. Hieronder probeer ik de jongens iets duidelijker te tonen. Ik sluit dit stukje dan ook af met een warme oproep: wie meer weet enzovoort.

Flor Vandekerckhove.

vrijdag 18 mei 2018

Over het overwinnen van mijn reisweerzin


Elk jaar trek ik erop uit; naar Frankrijk, 1100 kilometer ver, tot op een berg. Altijd dezelfde reis. Altijd dezelfde berg. Of die berg een naam heeft is onduidelijk, maar de top ervan heet Puèg del Borion. We bevinden ons in de Languedoc, waar de dingen Occitaans zijn. Puèg spreek je uit als piëche; borion is een verkleinwoord van bòria, hoeve.
Op die berg heb ik een huisje overgehouden uit de tijd dat ik jong & dynamisch was en de koterijen dermate goedkoop dat zelfs ik er een kon kopen. Daar trek ik nu jaarlijks heen, mijn reisweerzin overwinnend omdat een reis naar je eigen huis nauwelijks zo genoemd mag worden. 
Elk jaar is ’t weer hetzelfde en elk jaar is het toch weer anders. Er is een jaar geweest dat het aan de Puèg del Borion zo koud was dat ik alleen maar het bed uitkwam om hout te zoeken, te kappen en te stoken, waarna ik met kleren en al weer in bed dook.
Er was een jaar waarin ik op de radio avond na avond naar de Ring des Nibelungen geluisterd heb, negentien uur muziek met teksten in een taal die ik niet begrijp, voorafgegaan door inleidingen in een andere taal die ik evenmin begrijp. Achteraf heb ik de betreffende CD’s gekocht om er nooit meer naar te luisteren. 
Onvergetelijk is ook het Jaar van de Slang! Sindsdien komt er nog maar weinig volk op bezoek. 
Er is een jaar geweest dat ik van daar uit een uitstap naar Lourdes ondernomen heb. Sindsdien ben ik een liefhebber van die stad geworden, ook omdat ik er getuige geweest ben van menig mirakel.
Er is een jaar geweest dat mijn auto er onderweg de brui aan gaf en sindsdien heb ik geen wagen meer en daardoor geld te over. Ja, dat zijn ferme avonturen. Maar meestal gebeurt er niets, en ook dat is telkens weer een avontuur.

Flor Vandekerckhove

dinsdag 15 mei 2018

In scène gezet of niet

— Ruth Orkin. An American Girl in Italy. (1951) —   

In 1951 maakt Ruth Orkin (1921-1985) een foto die haar — en ook de vrouw op de foto — wereldberoemd zal maken. Van het beeld wordt in 1980 een massaal verkochte poster gemaakt. Hij hangt hier ook in een café om de hoek.
Ik ben er altijd van uitgegaan dat het een geënsceneerd beeld betreft. Er staan net iets te veel lummelende mannen op en ze kijken net iets te gretig naar deze American girl in Italy.
De gefotografeerde vrouw heet Ninalee Craig (°1927) en is nu overleden. Waardoor de foto weer in de actualiteit staat. In de krant lees ik dat zowel model als fotografe altijd hebben volgehouden dat het beeld niet in scène gezet werd. Wel was er een tweede doortocht door het testosteronstraatje nodig. De blik van al dat mansvolk is niet geënsceneerd. 
Bekijk dat beeld nog eens en zeg me na: ’t blijft moeilijk om te geloven. Wat weer eens aantoont dat kunst per definitie de mogelijkheid in zich draagt om ‘verkeerd’ — beter gezegd: 'anders' — geïnterpreteerd te worden.
Pakweg tien jaar geleden lees ik in de krant de recensie van een roman. Een sepiakleurige foto illustreert het stuk. Straat in de stad. Jonge vrouw passeert in bikini. Over haar schouder ligt een handdoek, ze draagt een picknickmandje. Haar schoonheid dateert van voor de tijd dat meisjes uitgehongerd werden. Ze lacht de fotograaf blijmoedig toe, terwijl ze vlak in de lens kijkt. Het is de lach van een zelfverzekerde jonge vrouw, trots op haar lichaam dat gezien mag worden.
— © H. Armstrong Roberts/ClassicS. —    
Ik heb die foto uitgeknipt en aan het prikbord in mijn bureau opgehangen. Hij hangt daar nog en ik heb hem nu, ter wille van deze blogpost, zelf gefotografeerd, want er is wel veel materiaal van H. Armstrong Roberts op ’t internet te vinden, maar dit beeld is daar niet bij. Spijtig, want het krantenknipsel aan mijn prikbord is verkreukeld, wat het beeld geen deugd doet.
In scène gezet? Zelf woon ik aan de kust en het is me nog maar zelden overkomen dat ik een jonge vrouw even parmantig als halfnaakt door een drukke straat, vol met voor de rest alleen maar gekleed volk, zie wandelen. Bovendien: alles is perfect aan die vrouw, tot en met het picknickmandje. Dus ja, het lijkt opgezet spel.
Toch twijfel ik. Tegen de muur staat een jongeman in een zomers pak. Daarnet was hij nog rustig zijn krant aan ’t lezen. Maar nu niet meer!  Evengoed als de passerende vrouw de lens van de fotograaf aantrekt, lijkt de vrouw de blik van die man aan te trekken.
Maar… er is iets vreemds in de manier waarop hij kijkt. Zijn blik vind je bij geen der mannen op An American Girl in Italy. Deze man kijkt niet geil, wellustig, viriel of opdringerig. Hij kijkt zelfs niet verblijd bij het zien van zoveel schoonheid.
Op mijn afdruk is het niet zo goed te zien, maar in de krant is het dat al iets beter. De man lijkt geboeid door wat wij niet zien. Meer dan alleen maar die vrouw houdt hij het totale gebeuren in ’t oog: de confrontatie tussen model en fotograaf. Dus nogmaals: in scène gezet?

Flor Vandekerckhove

maandag 14 mei 2018

Polleke groet ’s morgens de dingen (°)



dag auto’s op een rij in de straat vroem
                                         vroem vroem
dag vensterbank naast de tafel
dag vensterraam naast de tafel
dag vogelke-flap met de bek
                    en
dag vogelke-flap met de vlerk
              bek en vlerk
         van het vogelke-flap
                goeiendag

DAA-AG VOGEL
Dag lieve vogel
Dag kleine vogelijn mijn

            
Flor Vandekerckhove


(°) Het is wellicht overbodig om dat te melden, maar ik doe het toch: gebaseerd op Marc groet ’s morgens de dingen van Paul van Ostaeijen.

zondag 13 mei 2018

Het trotskisme van Alexandr Voronski

— Biograaf Claude Kastler schrijft dat Voronski niet tot het georganiseerde trotskistische verzet in de USSR toetreedt. Wel staat hij dicht bij de ideeën van Trotski. Op deze foto, in december 1925, n.a.v. het veertiende congres van de Russische communistische partij, staan Voronski en Trotski in elk geval fysisch dicht bij elkaar. Van links naar rechts: Leonid P. Serebrjakov, A.K. Voronski, onbekend, L.D. Trotski, onbekend en Karl Radek. —   

Wanneer de Russische schrijver Isaak Babel in 1939 door Stalins politie opgepakt wordt, bekent hij, hier, een lange samenwerking met de trotskisten, vooral met Alexander Voronski, een bolsjewiek van het eerste uur, iemand die zich na de revolutie tot een merkwaardig literair criticus weet te ontpoppen. Over diens literaire opvattingen heb ik hier al een stuk gepubliceerd.
Babels ‘bekentenissen’ (‘Ja, ik dronk thee met Trotski’) roepen veel vragen op. Een brief van toneelregisseur Meyerhold leert ons hoe die afgedwongen worden; daarenboven trekt Babel vlak voor zijn executie al zijn verklaringen weer in en ten slotte is genoegzaam bekend dat ‘trotskisme’ ook een containerbegrip is voor alles wat niet in Stalins kraam past.
Mag literator Alexander Voronski al dan niet een trotskist genoemd worden? Ook Claude Kastler, die Voronski’s biografie geschreven heeft, stelt zich die vraag. (°) 
In de herfst van 1923 circuleert er in Moskou een brief die het machtige Politbureau bekritiseert. Het is het eerste publieke teken van de linkse oppositie in de Communistische Partij. De brief is ondertekend door Preobrazienski, lid van het Politbureau, en Serebrjakov, een kameraad van Voronski uit de tijd van de clandestiniteit. Anderen voegen hun handtekening toe, Voronski is er een van.
Voronski’s handtekening staat evenwel onder een postscriptum dat melding maakt van ‘talrijke meningsverschillen met de analyse van Preobranjenski en Serebriakov, maar met een volledig akkoord voor wat hun voorstellen betreft.’
Zegt Kastler: ‘Voronski probeert nader tot Trotski te komen ‘bij gebrek aan beter’; wat overigens ook de houding was van de ‘laatste Lenin’.’ [Met de ‘laatste Lenin’ verwijst de auteur naar het beruchte Testament van Lenin.]
Volgens Kastner zijn er wel degelijk punten waarop Voronski met de trotskisten van mening verschilt, hij noemt er drie, maar: ‘Overtuigd van de omvang van het gevaar (…) moest hij wel de noodzaak inzien van een vereniging van tegenstanders van de stalinistische methodes en de nood voelen om zich te verbinden met de meest invloedrijke van Stalins rivalen — een man die hij hoogachtte omwille van diens revolutionaire verleden, cultuur en opvattingen op het vlak van de culturele politiek (waarvan hij vond dat ze in het verlengde van die van Lenin lagen) —‘  En hij vervolgt: ‘net zoals Kroupskaja (°°), was hij dus een opposant,’
Kastler: “in 1925 vervoegde hij de oppositie in de partij en leverde daar een fractiegevecht”, maar met grotere standvastigheid dan deze laatste [Kroupskaja], weigerde hij om in 1927 te buigen: “Voronski was zonder twijfel niet met de clandestiene trotskistische organisatie verbonden” (…) maar hij bezorgde de oppositie wel de autoriteit van een oude revolutionair, een onbetwistbaar eerlijk man, een groot literair criticus en een efficiënte organisator.’
Op 22 januari 1928 wordt Trotski uit de partij gestoten. De daaropvolgende dag lezen de Russen in de Pravda dat honderdvijftig mensen aangehouden worden omwille van ‘onwettelijke trotskistische activiteiten’. Alexandr Voronski is er een van.
Flor Vandekerckhove

(°) Claude Kastler. Alexandre Voronski 1884-1943 Un bolchevik fou de littérature. Grenoble. © ELLUG 2000. 184 pp.
(°°) Nadezjda Kroepskaja, Lenins echtgenote, heeft na de dood van haar man inderdaad, gedurende drie jaar, facties tegen Stalin gesteund, enige tijd ook de Verenigde oppositie. In 1927 capituleert ze, maar ze blijft het moeilijk hebben om de ongeziene Lenincultus te aanvaarden die de nieuwe meester van het Kremlin, ten eigen bate, organiseert.

donderdag 10 mei 2018

Gang

[Wat hieraan voorafgaat leest u eerst in Silicone en daarna in Vlucht.]

Achter me slaat de voordeur dicht en ik bevind me in een lange, donkere gang. In het duister ontwaar ik een rij deuren.
Blijf ik staan of loop ik door tot ’t einde? Open ik een van de deuren en zo ja, welke? Terwijl ik twijfel, hoor ik in de verte een stem die twijfel zegt. Hij komt uit een verafgelegen kamer. Weifelend en tastend ga ik eropaf. Ik leg mijn oor tegen de deur en denk na of ik ga aankloppen of niet.
Aankloppen of niet, hoor ik de stem zeggen. Hij komt niet van achter die deur, maar uit een andere kamer.
Terwijl ik ernaartoe stap, wil ik hallo roepen, maar de stem is me voor. Vanuit weer een andere kamer, deze keer aan gene zijde van de gang, hoor ik hallo.
Ik weet zeker dat ik die stem ken, maar hem thuiswijzen lukt me niet. Ik breek me er het hoofd over.
Het hoofd over, zegt de stem onverwachts, en hij komt uit een nog verder gelegen kamer.
De stem lijkt wel de echo van mijn eigen gedachten te zijn. Weer trek ik verder de gang in, en gaandeweg word ik me ervan bewust dat de stem me iedere keer te vlug af is.
Te vlug af is, roept de stem nu luid, en hij komt duidelijk van achter de laatste deur. Wat ook duidelijk wordt is dit: de stem achter al die deuren is die van mij. Wat een reeks bangelijke vragen oproept. Als die stem van mij is, ben ik dan ook degene die daar spreekt? En als ik in die kamers zit, wie loopt hier dan in deze gang? Het lijkt er wel op dat in een soort simulatiehypothese van Bostrom terechtgekomen ben, een filosofisch gedachte-experiment waarover ik hier niet kan uitweiden omdat ik dringend uit dat huis weg moet zien te geraken.
Ik denk niet langer na. Mijn hart klopt in mijn keel. Met een ruk trek ik de laatste deur open.
In het deurgat word ik verblind door zonlicht. Ik sta weer buiten en kijk uit over dezelfde straat die ik aan gene kant van de gang achter me gelaten heb. Van mijn belagers valt gelukkig niets meer te bespeuren. Weer slaat de deur achter me dicht.
Voorbijgangers staren me aan. Ik probeer hen uit te leggen wat me overkomen is, maar ik ben sprakeloos. Mijn stem is in het huis gebleven.

Flor Vandekerckhove

woensdag 9 mei 2018

Vlucht

— Ik twijfelde geen ogenblik en smeet me dwars door het raam. —    
[Wat hieraan voorafgaat leest u in Silicone]

Ik twijfelde geen ogenblik en smeet me dwars door het raam. Glasscherven alom, maar ik kwam wel stevig in het zadel van mijn stalen ros terecht, dat ik tegen de gevel van de bar geplaatst had. Ik trapte zoals iemand trapt die weet dat zijn leven ervan afhangt.
Via de Prins Albertlaan vlood ik van Oostende naar Bredene. Ik haastte me over de brug van het kanaal en wist vervolgens niet goed waarheen ik moest rijden, want ik kende de wijk van de Sassenaars niet. Alle huizen leken in het donker op elkaar, de straten waren nauwelijks van elkaar te onderscheiden, alles & iedereen zag er eender uit… Ik bevond me achter een merkwaardige variant van John Rawls’ sluier van onwetendheid, een filosofisch gedachte-experiment waarover ik op dat moment niet eens kon nadenken, want…
Meteen werd de achtervolging ingezet. Mijn belagers hadden geen moeite om me weer te vinden, want ik had me tijdens mijn sprong danig gesneden aan het vensterglas en liet een bloedspoor achter dat hen stekerecht naar mij leidde.
Ik reed tegen het verkeer in, vermeed lange stukken, gebruikte voetpaden en slalomde tussen geparkeerde auto’s door. Dat ging goed tot wanneer mijn achtervolgers dicht genoeg genaderd waren om op mij te schieten. De kogels floten me om de oren en een ervan raakte mijn achterband. Doordat ik nu op ijzer reed, maakte mijn fiets geen snelheid meer. Ik besefte dat het spel vlug voorbij zou zijn en dat het er voor mij niet goed uitzag.
Wanneer mijn achtervolgers tot op enkele meters genaderd waren, sprong ik van mijn fiets en smeet hem dwars over de weg, waardoor hij een obstakel vormde dat me enig respijt gaf.
Ik duwde tegen de deuren van de woningen langs de straatweg. Een van die deuren ging open en ik gooide me naar binnen.
Flor Vandekerckhove
[Het vervolg staat hier.]

Wat vervolgt. — Nadat de bareigenaresse in Silicone me onbedoeld van de dood gered had moest ik meteen de biezen pakken. Het verhaal van die vlucht hebt u zojuist gelezen. Al vluchtend kom ik in een vreemd huis terecht, met veel deuren. Dat vertel ik u in een zeer kort griezelverhaal: hier

maandag 7 mei 2018

Silicone

Onverwachts had ze me opgebeld met de vraag of we eens konden afspreken. Ik had toegestemd en nog dezelfde avond zat ik naast haar, op een kruk, in een bar aan de oostkant van Oostende, in de Prins Albertlaan. De Bang Bang Bar, een veelzeggende naam voorwaar, bleek van haar te zijn.
In mijn beroep mag je geen oude bekenden vertrouwen en oud-minnaressen nog veel minder. Bovendien bevond ik me op vijandelijk terrein, want dit deel van de stad was in handen van de Sassenaars. Zij konden mijn bloed wel drinken.
Ik zag meteen dat ze fel veranderd was. Ze was overduidelijk bijgewerkt, het vel van haar gezicht was opgespannen en haar lippen waren dikker dan deze die ik in mijn jeugd gekust had. Haar borsten waren belachelijk groot. Al die verbouwingen lieten me aan Het schip van Theseus denken, een filosofisch gedachte-experiment dat ik hier niet uit de doeken kan doen omdat dit een zeer kort verhaal moet blijven.
Ze deed haar best om me te versieren. Ze vertelde hoe ze me al die jaren gemist had en zei in mijn oor dat ze na mij nooit meer klaargekomen was. Ik speelde het spel een beetje mee, maar zorgde er tegelijk wel voor dat ik op mijn hoede bleef. Vanuit mijn ooghoeken volgde ik elke beweging in de bar, klaar om meteen te reageren.
Ze zag mijn onrust, zei ze, en stelde me daarom voor om naar boven te gaan, naar haar kamer, zei ze, waar we rustig konden verdergaan, zei ze, met wat we bezig waren, zei ze. Ik stemde toe.
Op de trap ging ze me voor. Schaamteloos toonde ze me haar blote kont. Dat had ze een halve eeuw eerder ook al eens gedaan, op de trap bij haar thuis, toen we tieners waren. Zeggen dat ik haar kont nog herkende zou belachelijk zijn, en misschien was ook die wel bijgewerkt.
Rode draperieën, rood tapijt, rode sprei op 't bed. Veel spiegels ook. Gedempt licht. Ze legde haar armen rond mijn hals, en terwijl mijn handen op haar heupen rustten, zag ik in de spiegel de beweging van een kastdeur die achter me openschoof. In een reflex maakte ik een halve draai, zodat haar rug een schild voor me vormde en ik recht in de ogen keek van de man die schoot. De kogel trof haar in de rug, doorboorde haar longen en bleef in het silicone van haar linkerborst steken. 
Flor Vandekerckhove
(Het vervolg staat hier.)


— Dit zeer korte noir verhaal (foto 1) wordt gevolgd door een zeer kort vluchtverhaal (foto 2) en daarna door een zeer kort gothic verhaal (foto3). De drie liggen in elkaars verlengde;  drie verhalen voor de prijs van één! En als toemaatje smokkel ik in elk van die verhalen de Monty-Pythonvariant van een filosofisch probleem binnen. —