zondag 29 januari 2012

Blauwe rokjes


In het rusthuis ontmoet ik Georgette, die daar nu door de gangen loopt zoals ze dat destijds op straat ook deed. Ik zie Emilienne die mijn vader in betere tijden pretoogjes bezorgde. De buurvrouw is er en ze rookt nog altijd sigaretten, maar geen Almos, want dat merk bestaat niet meer. Paula, die destijds de krantenwinkel uitbaatte, is er ook net gearriveerd, ze moet nog wennen. 
Maar het prettigst van al zijn de ontmoetingen met de jeugdvrienden die daar hun oude verwanten komen opzoeken. Ik zie Norbert, die in onze wonderjaren tegen etenstijd door de ‘schufelet’ van z’n moeder naar huis geroepen werd. En Willy, die later voor pastoor ging leren en gelukkig nog op tijd zijn kap over de haag kon smijten. Marcel komt er. Hij had bij de meisjes een voetje voor, omdat hij zo goed van La Paloma kon zingen (Koekoeroekoekoe).  Roland komt er zijn moeder bezoeken en Daniël zijn vader.
Ik zie de meisjes uit mijn kinderjaren. Ze lijken nu wel heel erg op hun moeder, maar het kost me nauwelijks moeite om me hen weer voor te stellen met maagdelijk witte sokjes en in blauwe Kroonwachtrokjes. For ever young!
Flor Vandekerckhove
(Al degenen die wij daar destijds gingen bezoeken zijn inmiddels overleden.)

donderdag 26 januari 2012

Hoe men bloemen van de mestvaalt voor zijn kar kan spannen

In een in 2011 gepubliceerd stukje (‘Bloggen is joggen’) heb ik al over mijn enthousiasme voor dit medium geschreven, een instrument dat me o.a. toelaat egostukken te publiceren die ook als stijloefeningen dienen.  Brokstukken zijn het van wat mensen met een langere schrijfadem hun memoires noemen.
Waarom doe ik dat?  Er is een citaat van Hegel waar ik me een wijl op dwaas gekeken heb omdat ik dacht dat het van toepassing kon zijn op wat ik daarover verder zeggen wil: ‘Wesen ist was gewesen ist’. Naar verluidt was ook Sartre bijzonder geboeid door deze zin waarrond hij zijn existentialisme kon breien.
Het Duitse Wesen heeft veel betekenissen.  Ikzelf krijg het citaat maar moeizaam vertaald. Wellicht heeft die zin met de dialectiek van het worden te maken en zegt Hegel daarmee o.a. dat wat ìs eigenlijk ook alweer voorbij is.  Misschien wijst de zin ook op het belang van de geschiedenis: je kunt de werkelijkheid niet begrijpen als je het verleden ervan negeert. Zou ik, net zoals Sartre, de vrijheid mogen nemen om me dat citaat toe te eigenen? Dan zou ik het (passend in mijn kraam) creatief vertalen als: je bent wat je geweest bent
Dus probeer ik in die stukjes uit te vissen wat me gedreven heeft om de dingen te doen die ik doe.  Of misschien moet ik zelfs zeggen: de dingen die ik gedaan heb. Want hoe ouder een mens wordt hoe meer hij samenvalt met zijn verleden.
Tot nu toe heb ik alleen nog maar aangename herinneringen in deze blog verwerkt. Dat valt te begrijpen.  Een mens denkt uiteraard het liefste terug aan de aangename levensmomenten.  Niemand ontsnapt er wellicht aan om zijn leven (zichzelf) mooier voor te stellen dan het (hij) is. Laat me dus vandaag eens een oefening maken die dergelijke ‘mooipraterij’ nuanceert.
Ik herinner mezelf er niet graag aan, maar ooit heb ik een politiek engagement aangegaan waarop het vranke West-Vlaamse gezegde van toepassing is: ‘Ik had beter in mijn broek gescheten'.  Van halverwege 2003 tot juni 2004 ben ik intens betrokken geweest bij een poging om in Vlaanderen een politieke beweging op te richten, gebaseerd op de theorie en de praktijk van het anarchisme. 
U zult bij deze ‘bekentenis’ wellicht de wenkbrauwen fronsen. Kan het zijn dat een bezadigd mens, zo vraagt u zich ongelovig af, in 2003 toch ook al de vijftig voorbij, zich met zo’n marginaal politiek fenomeen inlaat? Ewel ja, dat kan. Yes I can!
De redenen die me die merkwaardige stap lieten zetten, zijn velerlei. Er zijn objectieve redenen en subjectieve voor te geven. ik kan er een sociale, politieke en economische uitleg aan geven en er zitten ook niet onbelangrijke psychologische kantjes aan vast. Het heeft met mijn politieke verleden te maken, met het uitgeven van Het Visserijblad (HVB) en de toestand waarin de vissersgemeenschap verkeert, met persoonlijke karaktertrekken, met de globalisering en de tegenbeweging ervan en met de toekomst van de wereld. Het heeft met toeval te maken, misschien ook wel met een midlifecrisis, evengoed als met diep doorleefde maatschappelijke inzichten. Om al die redenen, oorzaken en aanleidingen te inventariseren, om er een hiërarchie in aan te brengen, ze voor mezelf te verklaren, ze vervolgens aan potentiële lezers uitgelegd te krijgen en ze dus mooi neer te schrijven (want uiteindelijk is het me toch wel om dat laatste te doen)… heb ik meer woorden (en tijd) nodig dan een bijdrage aan deze blog verdraagt.
Mocht ik ooit mijn memoires schrijven, dan zal dat alles er een dik hoofdstuk van vormen.  Wanneer ik in die memoires ook nog eens de praktische kant van dat engagement belicht, dan wordt het niet alleen een dik, maar ook een leuk hoofdstuk, want er zijn tal van hilarische anekdotes te vertellen over de gebeurtenissen van dat jaar waarin ik terecht kwam tussen fanatieke dierenactivisten, vale kraakpandbewoners, onverstaanbare cyberneuten en activisten op wie de stempel ADHD wellicht wel van toepassing is.
Maar goed, een jaar nadat ik dat wereldje aarzelend binnengestapt was, stormde ik er in galop weer buiten. En sindsdien stel ik me, net als u dat nu doet, de vraag wat me destijds bezield heeft.
Was het een verloren jaar? Neen.  Ik mag me, zoals Ishmael, wel geëngageerd hebben in een bedenkelijke jacht op de witte walvis, je moet er toch maar, net als Ishmael, bij geweest zijn om er nadien over te kunnen vertellen.  Heb ik er, afgezien van de vertellingen die ik u tegoed hou, nòg iets waardevols aan over gehouden? Jawel. Zowel uit de praktijk van dat anarchisme als uit de theorieën die in die beweging opgeld maken, heb ik iets geleerd wat me tot vandaag behulpzaam is. Ook op de mestvaalt van het anarchisme groeien dus wel mooie bloemen. Ik ben zo vrij geweest die bloemen ook te plukken.
In het voorjaar van 2003 ging ik de anarchistische landdagen in Appelscha bezoeken. Dat was wel een mooi gebeuren, help me onthouden dat ik daar later nog iets over schrijf. Ik kocht er een brochure van nul cent (op dit merkwaardige bedrag kom ik verder terug), geschreven door ene Louis Mercier Vega.  Het boekje heet ‘affiniteitgroepen’ en gaat over een van de organisatievormen van het anarchisme. Ik ga daar niet over uitweiden, maar vanaf die dag weet ik ook hoe het team heet dat HVB (*) vorm & inhoud geeft.  Ook dat is een affiniteitgroep, mensen die zich op vrije basis en in wederzijdse sympathie verenigen in een gemeenschappelijke praktijk, zomaar, omdat ze dat graag doen en omdat ze elkaar graag zien.  Ik heb niet op dat boekje moeten wachten om zo’n ploeg te vormen, maar het heeft me er wel een geschikte naam voor gegeven.  En het werkt. Het werkt al tweeëntwintig jaar en het werkt nog beter sinds we het een affiniteitgroep noemen.
Er is nog iets.  In Appelscha ‘kocht’ ik niet toevallig dat boekje voor nul cent.  In dat anarchisme heb ik een half ondergrondse economie aan het werk gezien die op een leest geschoeid is die we normaliter voor onmogelijk houden. Anarchisten voldoen op een andere manier in hun levensbehoeften. Ze leven bijvoorbeeld in een wereld waarin er gegeten wordt in wat in hun (verschrikkelijke) jargon ‘volxkeukens’ heet. Daar bereiden vrijwilligers eten. Dat voedsel wordt gratis uit voedselbanken gehaald.  Wie eet, betaalt wat hij kan en in veel gevallen is dat niets.  Marginale bezigheid? Misschien, maar ik heb toch wel gezien dat er in België regelmatig honderden dergelijke maaltijden bereid worden. Dat was het geval in 2003-2004 en het zou me niet verbazen mocht dit nog steeds het geval zijn. Er is meer.  Die anarchisten kiezen hun kledij gratis uit de rekken van ‘weggeefwinkels’ en ze wonen gratis in kraakpanden.
Wat ik in dat jaar gezien heb, is dat er naast onze alom aanwezige economie gebaseerd is op winst & concurrentie, alhier ook een economie functioneert gebaseerd op de gift (en dus evenmin op zwartwerk).  Je kunt daar wel veel tegen inbrengen, maar het feit dat er zo’n andere werkzame economie bestaat, is toch wel hoopgevend voor een antikapitalist als ik.  En ja, ook de ploeg die HVB uitgeeft doet dat op dezelfde economische basis.  Niemand die voor het blad schrijft of aan de redactie en opmaak van HVB werkt, wordt daarvoor betaald, dat is trouwens evenmin het geval voor de uitgever zelve.  De affiniteitgroep rond HVB maakt een product gebaseerd op de economie van de gift
Net zoals ik me uit dat anarchisme het logo voor deze blog toegeëigend heb (de kwaaie kat die eerst de kop van deze blog sierde was een logo van de CNT, een anarchistische vakbond; de kat werd inmiddels vervangen door een meer pasende vuurtoren) en net zoals ik aan de haal gegaan ben met het citaat van Hegel, net zo heb ik me de termen economie van de gift en affiniteitgroep toegeëigend. Ik heb ze ingepikt om ze vervolgens voor mijn eigen kar te spannen. Ik kan dat doen, want eigendomsrecht is toch wel het laatste dat anarchisten voor zichzelf mogen opeisen. En Hegel zal mij evenmin komen tegenspreken.
Flor Vandekerckhove
(*) HVB staat voor Het Vrije Visserijblad, het tijdschrift dat ik sinds 1988 uitgeef.

woensdag 25 januari 2012

Stieg Larsson, De biografie

Flor Vandekerckhove en Dirk Foncke (rechts) 
verkopen het weekblad Rood tijdens de markt 
op het Van Beverenplein te Gent (1981)
Hoe ouder ik word hoe meer plezier ik ervaar bij het lezen van (auto)biografieën. Dat komt natuurlijk doordat er hoe langer hoe meer levensbeschrijvingen gepubliceerd worden van tijdgenoten. Anders dan bij de levensverhalen van mensen die ons voorgegaan zijn, gaat het daarbij over situaties die we zelf beleefd hebben. Als we er al niet actief bij betrokken waren, dan betreft het toch belevenissen waarover we gehoord en gelezen hebben.  Het gaat om gemakkelijk herkenbare maatschappelijke verhoudingen, gedragen door mensen die we gekend hebben of waarover we minstens vaag iets gehoord hebben. Die levens spelen zich af op plaatsen die we bezocht hebben, al is het maar op de TV.  Hun vragen waren de onze. We deelden de antwoorden erop of we zetten er ons tegen af, maar het waren de antwoorden van onze eigen tijd. Dat alles geldt heel zeker voor de levensgeschiedenis van Stieg Larsson.
Er zijn al twee in het Nederlands vertaalde biografieën van deze Zweedse thrillerauteur gepubliceerd.  De ene is controversieel en werd geschreven door Kurdo Barski, tijdschriftenuitgever en kompaan van Larsson. De andere is van Jan-Erik Pettersson, iemand met een lange loopbaan bij het Zweedse uitgeverswezen. Het is het werk van deze Pettersson dat ik gelezen heb. Dat boek doet meer dan wat ik hieronder beschrijf. Je vindt er een boeiende geschiedenis in van wat we inmiddels de linkse traditie in de Zweedse misdaadroman kunnen noemen. Het boek gaat ook over de bronnen van het extreem rechtse denken in dat land. Hij heeft het over het uitgeversvak en hoe Larsson zich daarin staande wist te houden. De auteur maakt een lang uitgesponnen, bijzonder interessante vergelijking tussen de antiheldin Lisbeth Salander van Larssons boeken en Pipi Langkous op wie dat personage gebaseerd is. En dan zijn er natuurlijk ook nog de familie, de kennissen, de psychologie, de afkomst enzovoort van Sieg Larsson.
Wanneer ik Stieg Larsson hierboven een thrillerauteur noem, dan doe ik de man onrecht aan. Larsson was veel meer dan dat. Boven alles was hij een politiek activist, sterk beïnvloed door de gebeurtenissen van mei ’68 die een hele generatie getekend hebben (alhoewel velen van die generatie er later alles zouden aan doen om dat ‘momentum’ uit hun leven weg te gommen). Larsson kiest partij en wordt activist voor de trotskistische beweging in Zweden. Hij schrijft veel in de trotskistische pers. Hij is actief in de solidariteitscampagnes t.v.v. de Vietnamese bevrijdingsstrijd. In de kazerne waar hij zijn militaire dienstplicht vervult verkoopt hij het tijdschrift ‘Rode Soldaat’. Hij doet meer. In 1977 vinden we hem terug in Eritrea waar hij in de guerrilla vrouwen met een granaatwerper leert schieten.
Na zijn dood dook er zelfs een testament op waarin hij in 1977 gestipuleerd had dat al zijn bezittingen naar de trotskistische organisatie moesten gaan. Daar had men echter geen weet van dat testament en aangezien Larsson inmiddels geen lid meer was vond men het een vanzelfsprekend en moreel juist besluit om geen aanspraak op het geld te maken.
Wie, zoals ik, aan die politieke strekking geparticipeerd heeft, herkent de topics, de debatten, de acties waaraan Larsson deelgenomen heeft, want het werd allemaal op internationaal niveau afgesproken. Wat in Zweden te doen viel stond ook in België genoteerd in onze volgeschreven agenda.
Haast vergeten solidariteitscampagnes komen me weer levendig voor de geest te staan. Zo blijkt dat Larsson zeer betrokken was in steunacties t.v.v. het revolutionaire bewind van Maurice Bishop op het piepkleine Caraïbische eilandje Grenada. Ik herinner me die periode. In de tijdschriften van de Amerikaanse trotskisten werd daar begeesterend over geschreven, zo zeer zelfs dat ook ik van plan was het eiland te bezoeken.  Helaas stak een Amerikaanse interventie daar een stokje voor. Ook Larsson (die eerder al op het eiland geweest was) moest daardoor van een reis naar Grenada afzien. Het is geen toeval dat Lisbeth Salander, de heldin uit Larssons thrillers, aan het einde van het eerste boek op dat eiland terechtkomt. Ook zeer herkenbaar is de nadruk op het antifascisme die de linkse beweging van die jaren kenmerkt. Larsson wordt een specialist in de materie en zijn tijdschrift Expo wordt in Zweden de standaard. Hij brengt al de extreem rechtse bewegingen letterlijk in kaart (ik herinner me ook zo’n kaart, met vele verbindingslijnen, voor wat betreft het Vlaamse [neo-]fascisme) en hij voorspelde vele jaren geleden al de opgang van de Zweedse xenofobe partij Sverigedemokraterna.
Dan zijn er nog de veranderingen in het linkse activisme die door ons maar al te gemakkelijk te herkennen zijn en die teken waren van veranderingen die we niet goed konden/wilden plaatsen: ‘Het was een tijd waarin alles maar moeizaam ging, er wilden maar weinig mensen meedoen aan onze campagne, en toen we probeerden Internationalen te verkopen aan passerende jongeren, lachten ze zich dood. (…) Er was een nieuwe tijd aangebroken en we hadden er niets van gemerkt, tot op dat moment.’ (p.130) ‘Ook het nieuwe links dat in die tijd opkwam onder jonge racisten was een typisch product van die tijd. Het was individualistisch, militant en extreem gedecentraliseerd, en de leden noemden zich vaak autonoom. De beweging vormde geen organisaties met besturen en programma’s.’ (p.137)  ‘En er bestonden overeenkomsten tussen het optreden van AFA en de militante acties van radicale antifascisten in vroeger tijden (…). Maar nu waren de tijden veranderd en AFA was niet verankerd in de arbeidersklasse en streefde dat ook niet na.’ (p.201)
Dat Larsson naast al dat activisme ook geïnteresseerd was in science fictionverhalen en misdaadromans is ook heel herkenbaar. Schreef de Belgische trotskist Ernest Mandel niet het erudiete boekje ‘Uitgelezen moorden. Een sociale geschiedenis van het misdaadverhaal’ (1987), een marxistische visie op de misdaadliteratuur? Mandel had zowat alles van het genre gelezen. Tijdens de congressen zat de econoom altijd wel een boek te lezen. En wij die dachten dat hij saaie, economische theorieën aan het verslinden was.
Flor Vandekerckhove
Stieg Larsson, De biografie. Het leven als een thriller. — Auteur Jan-Erik Pettersson — Uitgave Meulenhoff, 2010. ISBN  978 90 290 86011.

zondag 22 januari 2012

Camus anarchist?

Toen de Franse auteur Albert Camus (°1913) in 1960 onverwacht aan zijn einde kwam, had hij de grootste literaire successen mogen meemaken. Tegelijk was hij echter, sinds de publicatie van De mens in opstand (1955), intellectueel geïsoleerd komen te staan. Waar hij eerst een thuishaven gevonden had bij het blad Les temps modernes (de intellectuele referentie in het Frankrijk van die jaren), werd zijn filosofie nu door Sartre en de zijnen bijzonder negatief besproken.  Er volgde een breuk. A la publication de L’Homme révolté, Camus se brouille avec un certain nombre de gens. Ou plutôt, avant même sa publication, L’Homme révolté vaut à Camus de perdre sinon ses amis, du moins ses alliés littéraires, indispensables points d’encrage intellectuel et culturel d’un écrivain dans son siècle.
Camus geraakt intellectueel geïsoleerd. Maar niet helemaal.  Alors que la majeure partie des intellectuels montre par philo-communisme une franche hostilité au livre de Camus, les libertaires lui apportent leur solidarité. Anarchist is hij niet, maar hij is wel vaak in dat milieu terug te vinden.  Al in 1940 is Camus on speaking terms met enkele anarchisten.  In 1948 gaat hij spreken voor een vereniging van anarchistische studenten, waar hij zichzelf tot radicale reformist verklaart, radicale socialist en liberale humanist.  Deze niet-anarchistische etiketten beletten niet dat hij in dat libertaire milieu goed gedijt. En dépit de désaccords théoriques, portant sur  les élections, le rapport  à la démocratie ou à la révolution, les débats entre les libertaires et Camus ont toujours été cordiaux.
Dat komt ook doordat veel anarchisten zich organiseren in affiniteitgroepen die openstaan voor derden die samen met hen aan concrete projecten willen werken:  C’est bien là l’essentiel et la difficulté des réseaux affinitaires: l’amitié est aussi importante que la politique et, dès lors, que la première prend le pas sur la seconde.’
Hij zal ‘finalement trouver chez les libertaires des copains et se constituer un réseau. Par réseau, il faut entendre un groupe informel de personnes ayant un lien entre elles, en l’occurrence une  proximité politique et philosophique. Ces réseaux riches en hommes se superposent, se fondent et parfois se confondent en fonction des approches que chaque militant a de l’anarchisme. Ils constituent des cercles affinitaires qui peuvent s’entremêler. Les hommes qui constituent  les différents réseaux affinitaires forment à partir des années 1940 les amitiés libertaires, tous unies par le sentiment de reconnaître en Camus l’un des leurs.  Sans être à proprement parler anarchiste, Albert Camus a à partir de la Seconde Guerre mondiale, fréquenté régulièrement les groupes libertaires. Il est devenu l’interlocuteur fraternel d’un certain nombre de militants, rejoignant leur préoccupation sur les questions essentielles de la liberté et de la fraternité. Ces affinités politiques ont été l’occasion de nouer des amitiés.’
De anarchiste Marianne Enckell noemt hem een ‘copain’, een term die niet te verwarren is met ‘camarade’ of ‘compagnon’: ‘Qualifier une personne de “copain”, pour les anarchistes de langue française, a été longtemps un véritable compliment. L’usage des termes camarade ou compagnon peut être interchangeable, il est aussi souvent différencié. Les camarades, les compagnons et les compagnes sont celles et ceux qui font partie des organisations, du mouvement proprement dit; les “copains” c’est les proches, celles et ceux du “milieu”.Copin’ kan dus in het Nederlands nog het beste met het in de spreektaal nog steeds erg hangbare ‘maat’ vertaald worden.  Camus en de anarchisten zijn ‘maten’.
De mens in opstand werd neergesabeld door Sartre, die wat dat betreft in 1999 nog bijval kreeg van Luuk van Middelaar in diens boek ‘Politicide, De moord op de politiek in de Franse filosofie’.  Verweten wordt Camus vooral dat hij geen oplossing te bieden heeft. Maar C’est faux. Camus propose des solutions, mais elles choquent le rêve d’universalisme des idéologiques. Ce que propose Camus, fidèle en cela au projet de philosophie pratique qu’il annonçait, relève du bricolage plus que de l’esprit de système. (…) Camus propose une succession de démarches et de mesures pratiques propres à assurer la pérennité de la communauté humaine.
Camus mag zich dan nooit anarchist genoemd hebben, wat hij in De mens in opstand suggereert is veel anarchisten welgevallig: ‘La  philosophie pratique de Camus débouche sur une forme de morale pratique, qui, pour être lucidement pessimisme sur le fond, n’en est point magnifiquement optimiste dans la forme: il s’agit de croire que l’adoption d’une série de mesures simples, de postures intellectuelles et morales, d’actions quotidiennes et accessibles à tous peuvent, littéralement, changer le monde. Agir à la mesure du groupe auquel on appartient, vivre en équilibre avec la nature, apprendre à travailler autrement, apprendre à nous récréer  autrement  (…) refuser la philosophie du progrès, consentir au relatif, créer une nouvelle agora, encourager et protéger les créateurs, et leurs créations; on le voit, le bricolage philosophique de Camus met au point une intéressante mallette d’outils à vivre mieux, à devenir plus libre, plus pleinement humain, bien loin des théories et des systèmes.
Of die bewering klopt, weet ik niet, want De mens in opstand behoort eerlijk gezegd tot de boeken die ik wel in mijn kast heb staan, maar desondanks niet gelezen krijg. Bovendien weet ik evenmin of het inderdaad zo is dat een dagelijkse praktijk zoals die in dat laatste citaat uitgelegd wordt ‘de wereld kan veranderen’. Maar ik mag hopen van wel, want dat is toch wat ik, zelf evenmin een anarchist zijnde, met de affiniteitgroep rond Het Vrije Visserijblad probeer te bereiken.
Flor Vandekerckhove

‘Le don de la liberté. Les relations d’Albert Camus avec les libertaires’. 167 pagina’s. ISBN978-2-91743-38-2. Het boek is de weerslag van de ‘Rencontres Méditerranéennes Albert Camus, 2009’. Bij het boek werd ook een CD gevoegd met de referaten.

donderdag 19 januari 2012

Naar de Vuurtoren

Peter Holvoet-Hanssen en Flor Vandekerckhove
in Rood-Wit te Berchem
(10 mei 2010, foto Jo Clauwaert)
Het Visserijblad (HVB), het tijdschrift dat ik uitgeef, dat hoe langer hoe meer Het Vrije Visserijblad begint te heten, is een zaak van de zee. Het is een door en door Oostends blad dat in de vissersgemeenschap gepekeld werd en daar al 78 jaar uitgegeven wordt. Eigenaardig evenwel is dat er nogal wat mensen aan meewerken die ver van de visserskaaien vandaan wonen.
Nicole Derycker, een schrijfster die maandelijks een column aan het blad levert, woont bijvoorbeeld in Wakken en dat is echt aan het einde van de wereld. Peter Flynn, een Ierse dichter die in Antwerpen doceert, woont in Gent. Daar woont ook Ilse Heip.  Don Fabulist woont ergens in Wallonië. De stek van Geert Cyriel Tavernier moet je in Zande zoeken (maar dan moet je eerst Zande zelf vinden). Jacques van Harten woont zelfs zo ver in Nederland dat we niet eens weten waar het is. Jo Clauwaert, die verantwoordelijk is voor de supermooie vormgeving van het blad, woont in De Pinte en Peter Holvoet-Hanssen, de stadsdichter van Antwerpen woont natuurlijk in ’t Stad.  Et j’en passe.
Sommigen onder hen willen daar iets aan doen. Ze willen verhuizen. Ze willen in Oostende komen wonen, en meer bepaald op de Opex, of nog liever op de oude vuurtorenwijk, aan de oosteroever, in elk geval zo dicht mogelijk onder het vuurtorenlicht.  Ik begrijp het.  Ik ken dat. Ik ben ter zake een ervaringsdeskundige, want ik heb ooit, en wel gedurende vele jaren, vlak onder de Oostendse vuurtoren gewoond. Ik heb er zelfs de naam van deze blog aan overgehouden: De Laatste Vuurtorenwachter.
[Ik heb indertijd veel miserie gehad door die naam. De ouderen onder ons zullen zich die tijd nog herinneren. Onder die titel schreef ik eertijds in HVB satirische stukken waarin ik God en klein Pierke door de mangel haalde. Wat mij door Gods eigen dienaar op aarde en ook door klein Pierke zwaar aangerekend werd, zo moet ik zeggen. Maar ik had ook veel miserie omdat velen bleken te denken dat ik effectief de laatste vuurtorenwachter was. Ik heb dan ook menig televisiemaker diets moeten maken dat het een nom de plume was, zoniet zou ik in die jaren van het scherm niet weg te branden geweest zijn.]
Ik wil maar zeggen: die plek onder de vuurtoren heeft iets.  Mensen worden erdoor aangetrokken.  Dat komt door wat Boudewijn Büch bij leven en welzijn het vuurtorengevoel noemde.
Lang voordat Büch de term ijkte, schreef ik al over dat gevoel. Ik deed dat in een eenmanstijdschriftje dat ik toen uitgaf en dat Vivaldi heette, zo genoemd naar het café van de sponsor.  Mijn stuk ‘De vuurtorenwatcher’ verscheen in 1988 en Büch beschreef het gevoel (in Snoecks) in 1991. Ik deed het nog eens in een verhaal dat ‘De smaak van zeewater’ heet en in 1991 uitgegeven werd in een gelijknamige bundel. Maar lang voordat Büch en ik erover schreven deed Virginia Woolf dat al in To the Lighthouse. In dat boek waarvan iedereen alleen maar de titel gelezen heeft, zegt ze: ‘So that was the Lighthouse, was it? No, the other was also the Lighthouse.  For nothing was simply one thing.  The other Lighthouse was true too.’  
Virginia Woolf kende het vuurtorengevoel.  Maar er zijn ook mensen die 't niet kennen. Voor hen zijn vuurtorens objecten uit de wereld van de zeevaartkunde.  Zij menen dat zeelui die dingen nodig hebben om de weg naar de haven te vinden. Niets is minder waar.  Ik ben er meermaals getuige van geweest dat een schipper alleen maar uit het raam kijkt om te zien hoeveel vis er in het net zit.  Voor de rest rust het oog van zo’n zeeman op het radarscherm dat hem dag en nacht begeleidt.
Dit stuk gaat evenwel over mensen die wel met het vuurtorengevoel begiftigd zijn, zoals de binnenlandse lieden die aan HVB meewerken.  Zij beschouwen vuurtorens geenszins als objecten uit de zeevaartkunde.  Bij dat deel van de mensheid zijn vuurtorens mythische bouwsels, het zijn archetypes.  Zij staan voor iets.  Vuurtorens staan voor ‘geborgenheid’, voor ‘licht in de duisternis’, voor de zekerheid dat er een thuis(haven) is.  Het vuurtorenlicht is een ‘weg’, een ‘houvast’, een ‘band’, een ‘baken’. Het wordt ervaren door mensen die enerzijds weten dat god dood is, maar anderzijds vermoeden dat de vuurtorens er zijn om dat weer goed te maken.  Bij hen gaat het de mysterieuze, romantische, welhaast religieuze toer op.
Als kind sliep ik in Bredene op een mansarde.  Het laatste beeld dat zich telkens op mijn netvlies vastlegde was dat van het vuurtorenlicht dat een stukje van de muur van mijn zolderkamer bescheen.  Daarna viel ik in slaap.  Later toen ik zelf ver in het binnenland woonde en van daaruit regelmatig naar de zee afzakte — moest afzakken, zoniet werd ik ziek, zeeziek — was het eerste herkenningspunt dat ik vanaf de autosnelweg zag, het vuurtorenlicht.  Ik heb het menig keer gedacht: als ik me naar de vuurtoren richt, gaat mijn leven de juiste richting uit.  Ik heb er uiteindelijk de steven naar gewend en heb het me nimmer beklaagd. 
Op de Oostendse oosteroever zal hier met genoegen lezen dat ook de anderen onderweg zijn. Maar ik verwittig hen!  Ik keer daarom nog even terug naar mijn verhaal De smaak van zeewater.  Daarin wordt een personage overweldigd door dat vuurtorengevoel: ‘Naassens werd heel teerhartig aan de voet van de Oostendse vuurtoren.  Hij liet de toren zijn werk doen. Het regelmatig zwaaiende vuurtorenlicht werkte op hem in en duwde zijn koel redenerende persoonlijkheid op de achtergrond.  Vuurtoren, lichtbaak, draaibaken, lichttoren, zwaailicht en vuurtoren… Hij liet zijn tong over z’n lippen gaan en proefde de zoute smaak van zeewater.  Hij werd er dronken van, dronken van geluk.  Gelukzalig, overgelukkig, euforisch. Naassens kreeg opeens de onweerstaanbare drang iets onvoorzichtigs te doen.’ Iets onvoorzichtigs dus, zoals… naar Oostende verhuizen.
Flor Vandekerckhove

maandag 16 januari 2012

De onwelkome partizaan

George Orwell
Het leidt geen twijfel: wie schrijft voelt de druk van degene die het voor het zeggen heeft.  Dat is ‘normaal’, want wie macht heeft… oefent die ook uit. Ik weet het, ik ben als uitgever-redacteur van Het Visserijblad een ervaringsdeskundige. Meermaals werd mij (impliciet èn expliciet) duidelijk gemaakt dat ik bepaalde onderwerpen het best uit de weg ga (en dat zijn er niet weinig), dat ik het imago in het oog moet houden en dus het potje gedekt, dat ik verdeeldheid zaai waar eendracht nodig is, de vuile was uithang terwijl alles schoon en proper hoort te zijn.
Het is een druk waaraan ik uiteraard nooit toegegeven heb. En het heeft gevolgen gehad. Ik wil niet pathetisch klinken, maar ik heb er wel degelijk een prijs voor betaald. (Wat ik overigens met de glimlach gedaan heb, ook wanneer die prijs niet min was.) Ander gevolg: het heeft me aandachtig gemaakt voor discussies over de moeilijke verhouding tussen een maatschappelijk engagement en een eigen schrijfpraktijk.
George Orwell schreef er al over voor ik geboren was.  Hij was een politiek schrijver, zowel als journalist als in zijn verhalend werk.  Hij behoort tot de grondleggers van de participerende journalistiek. En iedereen die Animal farm gelezen heeft weet dat ook zijn fictiewerk geëngageerd was.
In Writers and Leviathan heeft hij het over het politieke engagement dat een schrijver kan aangaan. Orwell heeft daar merkwaardige opvattingen over: ‘Ik denk niet dat hij [de schrijver] zich, louter op basis van zijn gevoeligheid, mag onttrekken aan het gewone, vuile politieke werk. Net zoals alle anderen moet hij bereid zijn lezingen te geven in tochtige zalen, gaan kalken, kiezers werven, pamfletten verdelen, zelfs in burgeroorlogen vechten indien dat nodig blijkt.  Maar wat hij verder ook moge doen in dienst van zijn partij, hij zou er nooit mogen voor schrijven. Hij zou moeten duidelijk maken dat zijn schrijven iets apart is.’
Orwell heeft al dat politieke geploeter gedaan, inclusief het vechten in een burgeroorlog. Maar wat hij hierboven over het schrijven zegt, als zijnde iets apart, is eigenaardig.  Een auteur mag, dixit Orwell, op straat wel partijpolitieke pamfletten uitdelen, maar hij mag ze niet zelf geschreven hebben.
Hallo?! Op het eerste gezicht lijkt het een schizofrene toestand, maar op het tweede gezicht alweer veel minder: ‘Maar betekent dit alles dat een schrijver (…) zich ook moet inhouden om over politiek te schrijven?  Nogmaals, helemaal niet! (…) Het is alleen maar dat hij dat zou moeten doen als een individu, een outsider, ten hoogste als een onwelkome partizaan op de flank van een regulier leger.’
Orwell mag het over politiek hebben, hij beschrijft in die regels ook de manier waarop ik mijn eigen schrijfpraktijk in de vissersgemeenschap aangepakt heb.  Want ja, wie de publicatie van Het Visserijblad op zich neemt gaat ook een sterk maatschappelijk engagement aan.  Hij ijvert voor het voortbestaan van de vissersgemeenschap en voor de waarden die hij erin vertegenwoordigd ziet.  Hij schrijft met liefde voor de gemeenschap waarin hij gedijt.  Maar in diezelfde gemeenschap wordt hij, niet minder dan in de politiek, geconfronteerd met wrange machtsverhoudingen, plat opportunisme, eigenbelang gecamoufleerd als algemeen belang, doofpotoperaties, leugenachtige verklaringen van leidinggevende figuren en twijfelachtige praktijken van achterbakse lobbyisten…
Mijn engagement in de visserij heeft me nooit belet over dat alles te schrijven, veelal tegen de stroom in, meestal zelfs als enige.  Maar het omgekeerde geldt evengoed: dat ik kritisch over die sector schrijf, heeft me nooit belet om deel te nemen aan acties voor het behoud ervan. Daarenboven heb ik ondervonden dat je zo doende, zoals Orwell zegt, inderdaad gezien wordt ‘als een onwelkome partizaan’ [met de nadruk op onwelkome] op de flank van een regulier leger’.  Dat je zo beschouwd wordt… door de generaals wel te verstaan.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 14 januari 2012

De wet van Newton en een toeval

De oude dame woont in een chic flatgebouw, op wandelafstand van het strand. De weduwe is hardhorig en een beetje bijziend, maar voor de rest is ze oké.  Ze woont alleen en heeft geld te over.  Koken doet ze al lang niet meer.  Dagelijks bestelt ze een warm maal en ze doet dat, noblesse oblige, bij de beste traiteur uit de stad.  Nadat ze haar bestelling geplaatst heeft, gaat ze op stap.
Als ’t mooi weer is, vind je haar op de dijk, op een bank waar ze de flaneurs bekijkt. Als ’t regent gaat ze de andere kant uit, de stad in, ook maar vijftig meter ver, tot het kruispunt dat Petit Paris heet. In het café op de hoek drinkt ze koffie.  Door het raam kijkt ze naar de mensen die zich op het kruispunt door de regen haasten.  In beide gevallen, regen of geen regen, is de morgen zo voorbij. Tegen de middag, wanneer haar warme maal geleverd wordt, is ze alweer thuis.
Vandaag regent het pijpenstelen. In z’n garage, aan de zelfkant van de stad, hangt een drugsdealer het zware reservewiel weer op, aan de achterkant van zo'n zwarte Jeep waarmee dealers zich alhier verplaatsen. Verdoken achter dat reservewiel heeft hij zijn voorraad vastgesnoerd. Terwijl hij het wiel nog aan het ophangen is, rinkelt al de telefoon. Aan de andere kant van de lijn blijft het stil, ten teken dat hij nu onmiddellijk moet leveren.  Hij start de Jeep en rijdt gespannen de stad in. Zijn ruitenwissers zijn nauwelijks opgewassen tegen de regen die met bakken uit de hemel valt.
Aan de betere kant van diezelfde stad stapelt een loopjongen de plastic bakjes zorgvuldig in de kist achterop zijn bromfiets.  Hij is jong, vol energie en ziet er niet tegenop om in dat weer te moeten leveren. Hij start de bromfiets en terwijl hij, vlak voor de vitrine van de zaak, in de plenzende regen, een sierlijke bocht maakt, wordt hij bewonderend achterna gekeken door de beste dochter van de beste traiteur van de stad. Lenig op de bromfiets, zoals alleen loopjongens dat zijn, snelt hij naar het kruispunt.  De regen mag hem half verblinden, hij ziet op ’t einde van de straat wel het groene licht en raast er, zoals steeds, in volle vaart op af.
Ook omdat het zo buitensporig regent, is de oude dame die morgen een beetje langer in ’t café blijven hangen.  Maar nu moet ze toch naar huis.  Onder haar paraplu wacht ze tot ze groen licht krijgt om het kruispunt over te steken.  Naast haar braakt een zwarte Jeep zijn uitlaatgassen in het rond.  Terwijl ook hij het rode licht nauwlettend in het oog houdt, ontsteekt de drugsdealer een sigaret.  Zenuwachtig speelt hij met het gaspedaal.  Een ogenblik lang kijken ze naar elkaar, de drugsdealer en de oude dame, en dan springt het licht op groen.
De loopjongen van zijn kant had wel gezien dat het groene licht alweer oranje geworden was, maar 't was te riskant om in die regen hard te remmen en dus stak hij nog een tandje bij. Terwijl het licht, slechts een paar tellen vlugger dan hij verkeerd berekend had, alweer rood geworden was, rondde hij, in overtreding met het verkeersreglement maar daarom niet minder sierlijk, het kruispunt en sneed daarbij resoluut de pas af van de zwarte Jeep die zich juist op gang getrokken had.
Tussen twee zwiepende bewegingen van zijn ruitenwisser in ziet de chauffeur, gelukkig net op tijd, hoe een bromfietser, vlak voor zijn Jeep, het rode licht negeert.  De drugsdealer drukt hard op het rempedaal.  De Jeep slipt in een plas, draait zich een kwartslag rond zijn as en stopt midden op het kruispunt. Niet tot stilstand komt het reservewiel, achteraan de Jeep. Dat heeft de drugsdealer, na het telefoontje, niet meer vastgeklonken. Het wiel gehoorzaamt aan de wet van Newton die zegt dat een voorwerp in beweging zijn bewegingstoestand wil behouden.  Hobbelend over het kruispunt vervolgt het wiel een rechte lijn die bepaald wordt door de scheve toestand waarin de Jeep zich nu bevindt.
De drugsdealer ziet het in zijn achteruitkijkspiegel gebeuren en beseft in toenemende paniek dat zijn voorraad daardoor open en bloot achteraan zijn wagen te kijk hangt.  Met zijn Jeep vlucht hij het onbekende in en laat zijn reservewiel de vrije loop.
De loopjongen vervolgde nietsvermoedend zijn eigen weg.  Een eigen weg vervolgen deed ook het reservewiel.  Het deed dat zelfs nog enige tijd nadat het over de oude dame heen gehobbeld was die niets gezien en niets gehoord had en die bijna aan het einde van het zebrapad gekomen was.
De loopjongen belt aan.  De dame blijkt niet thuis te zijn.  Hij hangt de bestelling aan de deurklink en keert terug naar de zaak waar de traiteur al een nieuwe opdracht klaarstaan heeft.  Hij wacht tot wanneer de ambulance met loeiende sirene voorbij de zaak gereden is en snort weg naar alweer een nieuwe klant.
Flor Vandekerckhove

woensdag 11 januari 2012

Jef de coiffeur

[Herinneringen] — Het is in het Bredense rusthuis Wackerbout dat ik hem weerzag.  Zelf was hij daar toen nog geen resident, maar zijn echtgenote wel.  Trouw als het een gezel past, kwam hij er dagelijks zijn levenspartner opzoeken om er samen hun verleden bij elkaar te monkelen.
Bijna veertig jaar geleden was het dat ik hem nog gezien had, maar ik herkende hem meteen.  Deze Jef had immers een belangrijke rol in mijn leven gespeeld: ooit was hij mijn coiffeur.
Ik neem je mee naar het Bredene van die tijd. Radio Veronica speelt onze dagen vol.  Ook in Bredene proberen de jongens er als John Lennon en de zijnen uit te zien.
Op de Duinenwijk, waar ik in die vroege sixties woon, zijn uiteraard wel coiffeurs bedrijvig, maar die staan onder zo’n grote invloed van zichzelf dat wij er ons ‘t liefste ver vanaf houden.  Mong Beirens bijvoorbeeld vraagt alleen maar pro forma hoe je het gesneden wilt.  Nog voor je goed neerzit, warrelen je fanatiek gespaarde lokken naar beneden. In de spiegel zie je tot je schrik en afschuw dat je er opeens uitziet als je vader. Nergens in de wereld heeft men ‘s avonds zoveel jongelingenhaar bijeen te vegen als in de kapperszaak van Beirens.
Onder het Bredense jeugd verspreidt zich het gerucht dat er op ’t Dorp een coiffeur is die ‘te doen’ is.  Wij op onze velo daar naartoe.  En kijk, het gerucht blijkt te kloppen. De mens blijkt aandachtig naar onze wensen te luisteren en zoekt, als een behendig politicus, naar een compromis tussen de haartooi die wij hem als ideaal vooropstellen en datgene waarvan hij weet dat het voor onze vaders nog net aanvaardbaar is.  Jef, een coiffeur die de kunst van het haalbare beheerst!  Als Lennon zien we er achteraf wel niet uit, maar evenmin als een veertigjarige. 
Ik ben er Jef, veertig jaar later, nog altijd dankbaar voor.  Zo dankbaar dat ik hem in Wackerbout staande houd en vraag of hij nog altijd actief is in de sector van de haarkapperij.
Neen, dat is hij niet, zeg hij, hij is gepensioneerd.  Ik vertel hem vervolgens wat ik hierboven beschreven heb en raak daarmee blijkbaar een gevoelige snaar.  ‘Wel,’ zegt hij, ‘weet je wat?  Loop eens langs, dan zet ik er nog eens de schaar in, for old times sake.’
Zo komt het dat ik vele decennia later nog eens in dezelfde coiffeurstoel terecht kom. Met dezelfde schaar van veertig jaar geleden, zoekt hij weer naar een aanvaardbaar compromis.  Dit keer niet tussen mijn haarinzichten en die van mijn vader, maar tussen zijn stielkennis en zijn ogen die niet zo goed meer zijn.
Terwijl ik in die oude spiegel mijn coupe zie veranderen, vertel ik hem dat ik sinds ik Bredene verlaten heb geen kapper meer gehad heb; dat ik al die tijd mijn vriendinnen tot mijn coiffeurs gebombardeerd heb; dat ik met het zodoende uitgespaarde geld wellicht een spaarpot aangelegd had kunnen hebben... ware het niet van die vriendinnen.
Neen, hij wil geen geld, het is een vriendendienst. Hij houdt de schuif van het oude toonbankje gesloten.  Had ik nog een briefje van twintig frank op zak gehad, dan…
Flor Vandekerckhove
(Jef is intussen overleden.)

woensdag 4 januari 2012

Over de zee schrijven

In ‘Enige proefjes zout water’ bespreekt de Nederlandse schrijver Simon Vestdijk (°1898 - †1971) opkomst en ondergang van de zeeroman.  Hoe komt het toch, zo vraagt de auteur zich af, dat het zo lang geduurd heeft vooraleer de mens zich aan ‘zee-impressies’  gewaagd heeft?  Men was ‘blind’ voor de zee’, zo stelt hij in zijn antwoord, ‘een geval van literaire blindheid’, dat eveneens gold voor bijvoorbeeld hoge bergen.  Men vond de zee alleen maar gevaarlijk, gruwelijk en lelijk; punt.  En men heeft moeten wachten tot  het ‘terug naar de natuur’ van Rousseau (1712 - 1778) vooraleer daar verandering in kon gebracht worden.
Toen Daniël Defoe de eerste zeeroman schreef, waagde ook hij zich nog niet aan uitgebreide beschrijvingen van de zee.  Deze blijft nog heel sterk op de achtergrond.  Toch, zo stelt Vestdijk, ‘…is Robinson Crusoe hét grote model, en de rijkelijkst vloeiende inspiratiebron gebleven voor de schrijvers van het zeeverhaal, de zeeroman.  Welke conclusie valt hieruit te trekken?  Deze, dat het zeeverhaal, oorspronkelijk verijdeld door de “gruwelijkheid”, d.i. de onbegrensdheid, de onberekenbaarheid, de amorfie, de vormloze “Umheimlichkeit” van zee en zeeleven… voor het eerst weer mogelijk werd gemaakt door de literaire ontdekking van het… eiland waarop de mens zich afzonderen kan.’
De nog jonge romankunst moest zich nog een heel arsenaal van technieken toe-eigenen.  Een verhaal dat zich op die uitgestrekte, onvoorspelbare plas afspeelt… Het zal niet eenvoudig geweest zijn om daarin een lijn te trekken.  Het eiland van Crusoe was dan ook een zeer geslaagde vondst.  Het gaf de auteur een houvast in die overmaat van onzekerheid, een leiband die hem toeliet zijn verhaal tot een goed einde te brengen. 
De jacht op Moby Dick geeft de auteur van zeeromans een ander soort houvast.  De obsessie van kapitein Ahab liet Melville toe aan boord van een schip een avontuurlijke (verhaal)lijn te trekken in de vormloze zee. Er is nu dus een plaats (het eiland, en — eureka! — het schip) waarop de protagonisten zich kunnen afzonderen van de ‘umheimliche’ oceaan en er is een doel (in Moby Dick is dat de jacht).  Het geeft de zeeroman datgene wat het nodig heeft: een verhaallijn.  Wat voor ons vandaag evident lijkt, moet toentertijd revolutionair geweest zijn en Vestdijk slaagt erin voldoende afstand van zijn tijd te nemen om de technische problemen die zich oorspronkelijk gesteld hebben bij het schrijven van een zeeverhaal op een bevredigende manier te verklaren. 

Vanaf het moment dat het duidelijk werd hoe er greep kan gekregen worden op de onbegrensdheid van de zee krijgt de geschiedenis van de zeeroman vaart.  Vestdijk schudt vervolgens de grote namen van heg genre uit zijn erudiete mouw.
Flor Vandekerckhove

‘Enige proefjes zout water’ verscheen in de bundel ‘De Poolse ruiter’ (1946) en werd eveneens opgenomen in de bloemlezing ‘Kunst en Droom’, (Uitg. Querido, 1983) waarin een keuze gemaakt werd uit het essayistisch werk van Simon Vestdijk. 

dinsdag 3 januari 2012

Storm

Redmond O'Hanlon
[Lectuurnotities] — ‘Verder naar links lag zo’n vervallen trawler afgemeerd: het bovenste deel van de romp was ooit oranje geschilderd, de brug en de dekken wit, maar nu vertoonde het schip zoveel strepen en vlekken en patronen van de roest, nu waren de staalplaten zo bobbelig van lagen verf en roest, dat het leek te leven, zichzelf was en niemand anders, alsof het oud en rimpelig was geworden, uitgeput was geraakt, en nu, op zijn ligplaats, op sterven na dood was. Tot mijn verbazing zag ik dat de tankwagen met dieselolie die ernaast op de kade stond geparkeerd de brandstofslang over het achterdek had gelegd en dat mannen achter in een containerwagen lege viskisten van wit plastic op het dek smeten…’
Godver ja, zo dacht ik meteen, zo waren ook mijn eerste indrukken toen ik in 1988 Het Visserijblad overnam.  Vanuit mijn kantoortje keek ik uit over het Oostendse Visserijdok. Voor mijn deur lag een roestbak.  Mijn gedachte was identiek aan die van O’Hanlon. Dit is absoluut geen schip dat nog stormen kan trotseren. Kort daarna zag ik hoe die roestbak desalniettemin op gang getrokken werd, ik zag hoe de motor een pikzwarte stoot rook en roet uit de schoorsteen stootte en ik zag hoe de trossen losgegooid werden.  De wijzer van de barometer was aan ’t vallen.
Het citaat dat zoveel jaren later die herkenning bij me opriep komt uit Storm, een boek van Redmond O’Hanlon. Hij is in Vlaanderen vooral bekend geworden als figurant in een televisiereeks over de historische trip die Charles Darwin ondernam aan boord van het zeilschip Beagle.  Minder bekend is dat hij ook een reis meemaakte aan boord van een vissersschip. Over die belevenis schreef hij ‘Trawler’, in het Nederlands gepubliceerd als ‘Storm’. Het schip dat hij beschrijft is de Norlantean, een diepzeetrawler.  O’Hanlon heeft dat schip uitgekozen omdat dat het enige is dat vanaf de Orkneys ook zee kiest wanneer de weerman orkaan voorspelt in het gebied dat de Norlantean wil bevissen.
Met zijn compagnon, een bioloog bij het Mariene Laboratorium te Aberdeen, gaat hij op de Norlantean windkracht 11 tegemoet.
De schipper van die diepzeetrawler is Jason Schofield ‘een briljante leerling van de zeevaartschool in Stromness (…) hij is getrouwd met een vrouw uit een grote, keiharde trawlerdynastie van de Orkneys en zijn schoonvader heeft hem na zijn huwelijk op de proef gesteld: hij heeft hem inderdaad een tweedehands trawler gegeven, maar Jason beschikte niet over een rondvisquotum, en zodoende moest hij zijn trawler ombouwen voor de nieuwe diepzeevisserij. En die verbouwing heeft hem ruim twee miljoen pond gekost. Jason staat op zijn dertigste voor twéé miljóén pond bij de bank in het krijt. (…) hij moet elke tien dagen zo’n slordige 50 000 pond  binnenbrengen. (…) Hij móét uitvaren tijdens de januaristormen. (…)’
Waarmee O’Hanlon ingeleid is in de keiharde wereld van de visserij, een wereld die geregeerd wordt door de mores van een jagersgemeenschap, waar bovenop zich de keiharde wetten van de rendabiliteit geënt hebben, opgelegd door de bank.
Is het verantwoord om in zo’n weer uit te varen? De vraag stelt zich aan boord van de Norlantean niet. Er is geen keuze: ‘De helft van de bruto-inkomsten gaat naar de boot, zoals ze dat noemen. Om de bank af te betalen. Elfduizend pond van de resterende helft wordt aan onkosten uitgegeven. Diesel, smeerolie, proviand, dat soort dingen — tot en met de kosten voor de viskisten. Je betaalt voor elke kist vijfentwintig penny per week! En dan legt de vismarkt je nog eens een heffing op: van één tot vier pond per volle kist die je aanvoert. De rest van de bruto-inkomsten wordt verdeeld. De schipper krijgt twee delen. Een bemanningslid krijgt één deel – of driekwart als hij nog wordt opgeleid. Een bemanningslid dat met verlof aan de wal zit — ongeveer een op de drie weken — krijgt een half deel (…)’
Om dat te kunnen bolwerken moet je een visser in hart en nieren zijn, een van het type waarbij het jagen in het bloed zit: Zegt die schipper: ‘Hier ben ik reder-eigenaar (…) De verantwoording, die draag ík alleen. (…) De jongens, hun vrouwen, hun huizen, hun gezondheid, hun moreel, zo je wilt, dat hangt àllemaal van mij af. En ik kan je wel zeggen dat er geen grotere kick is. Om zeker te weten, zonder enige twijfel, dat het allemaal op mij als schipper aankomt. Ik beslis waar en wanneer we gaan vissen, dat bepaal ik en niemand anders, waar dan ook; ik ben de enige die besluit waar we het net uitgooien en aan de trek beginnen. En als er dan niets in de kuil zit – wie wordt dat dan verweten, denk je?’
De bioloog legt O’Hanlon uit hoe het eraan toe gaat op de diepzeetrawlers: ‘Ze zijn jóng. Zodra iemand het werk niet meer aankan, wordt hij door de anderen weggestuurd. Het is een samenwerkingsverband. Alleen de motordrijver krijgt een vast salaris. Zo gaat dat hier. Het zijn allemaal kleine zelfstandigen. Je zou ervan ópkijken hoe hard mensen kunnen werken als ze weten dat ze het samen moeten zien te klaren — en tegelijkertijd weten dat elk moment van gezamenlijke inspanning ook rechtstreeks ten goede komt aan hun eigen loon.’
Veel tijd om uit te rusten is er aan boord niet. O’Hanlon krijgt het benauwd als hem het slaapritme uitgelegd wordt. Hoe de kooien eruit zien maakt niet zoveel uit ‘Want we zullen hier beslist niet veel tijd doorbrengen.’ Hoezo? ‘Omdat jij en ik en de jongens per zesendertig uur gemiddeld zo’n drie uur slaap zullen krijgen.’ Bovendien ‘krijg je die drie uur slaap niet eens als drie uur achter elkaar. Er is zelfs geen tijd om een normale slaapcyclus van negentig minuten te voltooien. De slaaptijd wordt verdeeld over losse periodes van een uurtje, hooguit. Tussen de trekken door, wanneer het net is uitgezet, moet je je kans schoon zien.  Maar pas nadat je klaar bent met het strippen, en sorteren en pakken en stouwen van de vangst van de vorige trek.’
De gevolgen zijn ernaar ‘Je zult het zien. Ze draaien door. Wanneer ze aan de wal komen. Dan worden ze gewelddadig.’ ‘En jij, Redmond, jij ook, je zult doordraaien… En ik ook. Ik zal doordraaien. Dat gebeurt altijd. Je zult het zien. Je weet niet meer wie je bent. Je drinkt. Je maakt amok.’
Zo had ik het zelf nog niet eerder bekeken, moet ik toegeven: ‘Na zo’n vijf à zes dagen en nachten van hooguit een halve slaapcyclus per keer, maximaal drie kwartier per twaalf uur, beland je in de manische fase van tekort aan slaap. En de jongens gaan daar telkens wanneer ze op zee zitten weer doorheen! Het is een of andere chemische reactie in onze hersenen, Redmond. Geen slaap. Dan proberen de hersenen orde op zaken te stellen om het te overleven, herinneringen te sorteren, alles voor te bereiden om in actie te komen door te práten in plaats van te dromen. Je vertelt mensen dingen die je niet zou moeten vertellen, je onderbewustzijn is voor andere mensen zichtbaar (…)’.
‘(…)  zij bazelen niet over het onderbewustzijn! Nee, zij laten de mentale pijn van dit alles alleen merken door stomdronken te worden zodra ze de wal op gaan. En uiteraard is er niemand, niemand aan de wal die hen begrijpt of vergeeft. En dan hebben ze minstens zesendertig uur slaap van het hoogste niveau nodig – maar hun vrouwen hebben zich al helemaal in de stress gewerkt, omdat ze zich verwaarloosd voelen, omdat ze twee of drie weken zonder man hebben gezeten, en helemaal aan hun lot zijn overgelaten en in hun eentje op de kinderen hebben moeten letten, zonder dat ze een dag vrij hebben gehad, en hun man heeft zich op zee vermaakt, en daarom vertellen ze hem over alle problemen die hij heeft veroorzaakt doordat hij weg is geweest en dan staan ze er verdomme op samen te gaan winkelen… En daarom wordt de trawler weleens, heel af en toe, gewelddadig. En dan belt iedereen de politie.
Je bent schipper-eigenaar van zo’n diepzeetrawler en je hebt geen rondvisquotum. Wat moet je dan doen? Je moet op zoek gaan naar niet-gequoteerde soorten, soms is dat vis waarvoor zelfs nog geen markt bestaat en je moet hopen dat die markt dan wel ontstaat. De bioloog is aan boord om de vissers daarbij te helpen. Niet gemakkelijk, maar wel boeiend, want: ‘Op dit moment weten we níéts.’
‘Groenlandse heilbot, Zwarte hel noemen de jongens ze. Omdat ze aan beide kanten zwartig zijn. (…) ten oosten van  de Wyville-Thomsonrug vormen ze met de verschillende soorten roodbaars de belangrijkste commerciële vangst. (…) Ze leven hier, een grote vissoort in de Britse wateren, even doodgewoon als een grassprietje en we weten er geen flikker van!’
En er worden vandaag inderdaad nog markten gecreëerd voor ‘nieuwe vissoorten’, zo lees ik tot mijn verbazing  ‘De Fransen zijn ermee begonnen (…) De westkust van Schotland… Vangsten die in Lochinver zijn aangevoerd… De grote aanzet van dit alles… in 1989… nog maar zó kort geleden — de Atlantische slijmkop… grenadiervissen…’
Destijds ‘heeft niemand er veel aandacht aan geschonken. Maar toen voerden ze 50 000 ton Atlantische slijmkop aan. In 1991. (…) Dat gaf echt de doorslag. Omdat ze er ook een markt voor hadden gecreëerd. Ze hebben de naam veranderd, eerst in beryx, maar dat werkte niet, dus dachten ze aan Napoleon, als altijd, en noemden ze hem de “keizervis”. En toen begon hij te verkopen. De huisvrouw is er gek op. Overal in Frankrijk. En in Spanje idem dito.’
Schipper Jason weet meer over de Groenlandse heilbot: ‘(…) ik ben op de Hattonbank geweest (…) dat ligt ten westen van de Noord-Fenirug, ten noordwesten van de George Blighbank, ten noorden van het Rockallplateau, aye – en ik zeg je, Luke, dat héle gebied moet worden gesloten voor de nieuwe diepzeevisserij! Aye, ze moeten voor de nieuwe visserij een vergunningenstelsel invoeren voor het te laat is. Doe het maar net als de IJslanders, of de mensen van de Faroereilanden, die hebben het goed aangepakt, weet je, echt: ik heb ook in het gebied van de Faroereilanden gevist, die schipper had daar een vergunning voor, £ 120 000 per jaar, en dat was het volkomen waard! En weet je waarom? Omdat ze stréng zijn. Er wordt streng gecontroleerd. Geen gerommel. Geen vrijheid voor iedereen. Geen verdomde Spaanse vispedofielen met hun illegale fijnmazige netten! Ja, en de kabeljauw, Luke, die had je moeten zien: groter dan ik, en de koppen die erop zitten! En de schelvis – enorm! – de jongens wisten geen van allen dat die zo groot kon worden… En massa’s zwarte kousenbandvisen, zwarte kousenbanden, ruwe bruine huid, helemaal stekelig, weet je wel, en zelfs nog meer grote grenadiervissen – en die hebben we allemaal aan Frankrijk verkocht, subiet. En Luke, er was daar een anders soort draakvis, nog zonderlinger dan je hier hebt (…)’
En de schipper gaat door: ‘Ginds bij de Hattonbank zijn het enorme vissen, Groenlandse heilbotten, en hun eieren zijn groot, echt groot, als druiven. Aye, als ik ooit iets goed in mijn leven doe, is dat dit. Luke, dit ben ik je komen zeggen, dit moet je tegen je baas in het lab in Aberdeen zeggen of tegen wie dan ook, tegen de regering: de Hattonbank zal gesloten worden voor de visserij op Groenlandse heilbot, want daar paaien ze, daar komt alles vandaan.’ Of hoe de zorg van de jager voor het wildbestand het toch nog haalt op de onverbiddelijke eis van de bank om per tien dagen voor niet minder dan 50.000 pond (57.265 euro!) vis aan te voeren.
Flor Vandekerckhove
Storm van Redmond O’Hanlon (ISBN 978 90 467 0286 4), een boek van 350 pagina’s over de hedendaagse visserij is aan zijn zesde druk toe en werd in 2003 uitgegeven door Pandora.

zondag 1 januari 2012

Boer Camiel

Boer van Jan Toorop
[Herinneringen] — Camiel was bij de pinken en ik had regelmatig een goed gesprek met hem.  Over die ene keer dat hij in Brussel moest zijn, over Duitsers in de oorlog en over de nachten dat hij, tussen de ratten die over zijn benen liepen, in de stal bij zijn paard bleef slapen, omdat het beest moest bevallen, over de tijd dat…
Toen hij jong was, trok hij jaarlijks, rond de jaarwisseling, met paard en kar van Bredene naar Zevenkerke, over en weer goed voor minstens zestig kilometer.  Daar ging hij boomstammen ophalen die hij thuis kon opstoken of anderszins op de kleine boerderij gebruiken.  Als het die dag niet gesneeuwd had, dan had het wel straf gevroren en het paard kon zich dan maar moeilijk te poot houden op de kasseiwegen die we vandaag alleen nog kennen als een onderdeel van klassieke wielerwedstrijden die bijvoorbeeld De Hel Van Het Noorden heten.
Het was donker wanneer Camiels paard de kar in beweging trok.  Dik 4,5 uur duurde de barre tocht.  Het was al middag toen Camiel in Zevenkerke de bomen op de kar moest sjouwen.  Tegen de tijd dat die klus eindelijk geklaard was, begon het alweer te deemsteren en dan moest Camiel met paard en kar nog helemaal naar Bredene terugkeren.  Wanneer hij die nacht, eindelijk thuisgekomen, zijn paard op stal mocht zetten, was hij een hele dag op weg geweest.  Van Bredene naar Brugge!
Het liet me denken aan dat andere verhaal, dat van die boerin die wekelijks, eveneens vanuit Bredene, met twee manden eieren, naar de markt in Brugge trok.  Aan elke arm een mand. Te voet.
Ik durfde Camiel niet eens te vragen of het goede, oude tijden geweest waren en ik kon me al helemaal  niet voorstellen dat dit een gezond leven geweest kon zijn.  Toch zat de dik negentigjarige Camiel daar naast me, alive and kicking, straffe verhalen te vertellen.
Flor Vandekerckhove
(Camiel is intussen overleden)