zaterdag 31 mei 2014

No future in G&G Oostende


Dubbe is een Oostendenaar en hij is dat gebraakt & gescheten, zo zegt Arno op de achterflap van deze biografie. Ik google een beetje en verneem alzo dat Arno zichzelf ook zo noemt, een gebraakt & gescheten Oostendenaar. Zowel Arno als Dubbe blijken gebraakt & gescheten, maar Arno is verdergegaan en Dubbe is gebleven. Er zit meer tragiek in die laatste zin dan je vermoedt.
Gebraakt & gescheten! G&G! De term blijkt voor een kwaliteit te staan. Die heeft met het verleden van de stad te maken: ‘Oostende is ook een stad van Oostendenaren. Afstammelingen van Vikings. Bastaards geboren uit zij die hier eeuwen lang aanspoelden. Geuzen. Vissers. Veroveraars en onderdrukten. Het resultaat is een eigenzinnig volkje. Dat niet met zich laat spotten.’
Zelf ken ik vooral Oostendenaars die wèl met zich laten spotten. Maar de biografie van punkrocker Frank Dubbe wijst me op een andere soort. Ik probeer er de volksaard van te ontrafelen.
G&G, het is iets wat in de wijk Conterdam ontkiemt. Dat geldt voor Dubbe, maar ook voor Arno & Peter Hintjens en voor Danny & Johnny Markey die allemaal in de Oostendse rockscène terechtkomen. In die buurt loopt ook de latere burgemeester Jean Vandecasteele school: ‘Dubbe heeft er tegen die tijd al een paar ambtstermijnen opzitten als burgemeester van de nacht.’ De Conterdam levert dag en nacht burgemeesters af!
Er zijn nog zo’n wijken, bijvoorbeeld de buurt rond de Amsterdamstraat: ‘Om de hoek woonden de broers Dasseville, dé ruige gasten van Oostende en omstreken. Die mannen hadden (…) een coolheid die tegelijkertijd (…) ontzag en aantrekkingskracht uitstraalde. (…) Het waren zware jongens, maar niet zoals we die nu kennen. Als je in hun weg liep kon je maar beter een goede tandarts hebben maar ze gingen niet over lijken.’
G&G, zo vernemen we hierboven, straalt dus 'een coolheid' uit. Die is evenwel van geen nut om er een beroepsloopbaan mee uit te bouwen, bijvoorbeeld in De Post, waar Dubbes ervaringen te vergelijken zijn met deze van Charles Bukowski in zijn Postkantoor. Maar je kunt er wel mee terecht in een andere G&G wijk, het Hazegras. Bijvoorbeeld in het etablissement van ene Rob die uit Amsterdam weggevlucht is, een mens die ook coolheid uitstraalt. Dubbe: ‘Hij draaide altijd loeiharde rock en had bovendien kamers waar ik Dorianne kon poepen. Al gauw werd Rob mijn vriend, het was een reus van een vent en als lijfwacht had hij een Dobberman [sic] bij zich. Toen bleek dat ik de kamer niet kon betalen, moest ik van Rob de lokale maffia bedienen tijdens hun illegale pokeravonden. Daar zaten kleurrijke figuren en vooral ook lekkere wijven met half blote borsten. De mannen speelden voor grof geld. Ik werd het hulpje, ging om de hoek naar Delhaize om krabsalade en namaakkaviaar en zorgde dat de pokerspelers voldoende drank hadden.’ Voor een G&G is dat een job als een andere: ‘Alleen: misdaad is niets voor mij, Rock & Roll zou mijn ontsnappingsmiddel worden.’ 
Dat Frank Dubbe de misdaad afzweert blijkt voor Norbert Tanghe echter geen reden te zijn om hem niet nauwlettend te blijven volgen, een carrière lang. Of deze Norbert, werkzaam bij de Belgische Opsporingsbrigade (BOB), ook G&G is maakt de biografie niet duidelijk.
Hoe dan ook, Rock & Roll wordt inderdaad, en wel tot vandaag, Dubbes ontsnappingsmiddel, maar niet uit Oostende: ‘Naar Brussel gaan om te socializen met arty-fartys. Ik kon dat gewoon niet. (…) En roem is geen doel op zich. Toen Chris Jagger onlangs in Oostende optrad belde iemand mij op omdat ik een nummer samen met Chris kon doen. Enfin, ik lag al in bed naar een film te kijken en bleef liever warm bij mijn katten, dan door het grijze septemberweer te fietsen en een duo met Chris te doen.’  En zo komt het dat we Frank Dubbe ook vandaag nog altijd in zijn wijk Conterdam zien fietsen, een soort G&G coolheid uitstralend die je elders maar zelden te zien krijgt.
Flor Vandekerckhove

Frank Vermang, Dubbe, Oostende – Rock & Roll, Portret van een man, een stad, een generatie. 2014. 9,90 €. 160 ps. ISBN 978-94-91164-32-3.

vrijdag 30 mei 2014

Twee dichters in de politiek


John Wheelwright (1897-1940)
Een mens kiest het nest niet waarin hij geboren wordt, maar hij kiest wel de klasse waarmee hij solidair zal zijn. Aan deze ietwat existentialistische openingszin valt ongetwijfeld veel af te dingen en toe te voegen, maar aangezien zo’n blogstukje vooral niet lang mag zijn, spreken we af dat we het hierbij laten. In elk geval formuleert die zin het eerste waaraan ik dacht toen ik The Revolutionary Imagination na lezing dichtklapte. (*)
Dat boek onderzoekt de poëzie en de politieke praktijk van twee modernistische dichters die aan het begin van de jaren dertig radicaliseren en in 1938 zelfs mee aan de wieg staan van de Amerikaanse Socialist Workers party, een marxistische, revolutionaire organisatie gebouwd rond het gedachtegoed van de Russische revolutionair Leon Trotski.
De politieke keuze die John Wheelwright en Sherry Mangan daarmee maken zal hun poëzie uiteraard beïnvloeden. Zowel Wheelwright als Mangan zijn immers niet zomaar meelopers, beiden zijn erg geëngageerde politieke activisten die zich in woord & daad volledig ten dienste van de goede zaak stellen.
Allan Wald onderzoekt welke invloed die activistische praktijk op hun literaire werk heeft en hoe beiden, elk op hun manier, omgaan met de evidente moeilijkheden die er ontstaan wanneer een politiek activist tegelijk dichter wil blijven, of omgekeerd, wanneer een modernistische dichter aan revolutionaire politiek wil doen. Gemakkelijk is het niet, want modernistische literatuur wordt haast per definitie gesmaakt door een intellectuele elite en is onverstaanbaar voor arbeiders die van elke literaire opleiding verstoken blijven. Modernistische dichters komen ook zelden of nooit uit de arbeidersklasse voort; zowel Mangan als Wheelwright zijn dan ook telgen van de upperclass. Door hun politieke keuze mogen ze dan hun klasse 'verraden', maar ze brengen tegelijk wel hun ‘upperclassmanieren’ met zich mee. Er ontstaat een conflict wanneer zo’n dichter de arbeidersklasse benadert en tegelijk vasthoudt aan het modernisme. Een door het christendom gevormde mythologie komt tegenover het marxistische materialisme te staan; de houding van de artistieke bohemien botst met de noodzaak aan revolutionaire discipline…
De kans is derhalve klein, of zelfs onbestaand, dat de poëzie van zo’n dichter onveranderd uit dat conflict tevoorschijn komt. De veranderingen kunnen onbewust in de gedichten sluipen, of de dichter kan zijn poëzie bewust heroriënteren. Dat laatste is wat Wheelwright doet: Wheelwright treats the Marxist themes of the 1930s in a wholly fresh and unique manner, appropriating from modernism such devices as sudden shifts in perspective, unidentified voices, and enigmatic symbols. Furthermore (…) Wheelwright explains that he “develops Lenin’s grammatical example” by using the personal pronouns “they, for capitalists; you, for wage earners; we, for professionals.” In this exemplary note, which reveals a complication in the work while also affirming a political identity, he attempts to use a modernist strategy to resolve the tensions between political ideology and the creative act.’  
Wheelwrights politieke vrienden klagen over de moeilijkheidsgraad van diens gedichten, maar hij blijft onwrikbaar en ‘conceded that they might be difficult but insisted that they were not obscure. In a 1938 essay in Partisan Review, he pointed out that an authentic revolutionary poem might recognize “mysteries and wrestle with them, which is a different matter from willful mystification, although indistinguishable to persons who have stultified their interior resources. Poets need little care if they be called obscure by Philistines.” He genuinely believed that even the most allusive of his own passages would become intelligible if the reader were truly open and responsive. If that occurred, the reader would be changed in some way.’
Volgens Wald slaagt Wheelwright in zijn opzet: ‘It is my contention that Wheelwright went farther than any other American socialist poet of his time in developing an imaginative otherworld through which he could attempt to intervene in the political and moral life of the 1930s.’
Sherry Mangan (1904-1961)
Wheelwright en Mangan schuwen het dagdagelijkse politieke werk niet, ze nemen deel aan stakingspiketten, betogingen, een intens vergaderingwezen, verkiezingscampagnes…, maar de eerste heeft het daarin wel gemakkelijker dan de tweede. Wheelwright blijft thuis wonen en geniet daar van een, weliswaar almaar krimpend, inkomen uit het familiekapitaal. Mangan komt eveneens uit de upperclass, maar tegen de tijd dat hij ervan zou kunnen genieten rest er geen geld meer; hij moet werken om in zijn levensonderhoud te voorzien. Het werk dat even onzeker als veeleisend is, het schrijven dat staat te wachten, het dagelijkse geploeter in een revolutionaire organisatie… Probeer het allemaal maar eens te combineren: The instability of his personal an financial situation eventually took its toll on his physical and emotional well-being. When in de 1950s he attempted to research firsthand a novel on the struggles of the Bolivian Tin miners, the exertion left his second wife dead of a heart attack and his own health shattered. The last eight years of his life were spent in poverty, physical suffering, and loneliness.’ Alhoewel Sherry Mangan nooit afstand neemt van zijn roeping als dichter, komt hij geïsoleerd te staan in het Amerikaanse literaire leven. Zijn leven wordt overheerst door journalistieke broodschrijverij enerzijds en een internationaal activisme anderzijds.
Maar avontuurlijk is het leven van Sherry Mangan wel degelijk. Als Amerikaans journalist krijgt hij standplaatsen toegewezen in Europa en Zuid-Amerika. Wat hem eveneens toelaat als verbindingsman op te treden voor de secties van de IVde Internationale waarin de trotskistische partijen wereldwijd verenigd zijn. Veel tijd om poëzie te schrijven wordt hem daarbij niet gegund. Mangan vindt nimmer de nodige rust om zijn aanvankelijk veelbelovende poëzie op een hoger niveau te hijsen: ‘Although his desire to write returned as an instrument by which he sought to heal his divided self, the form and content of his literary work was riven by a split sensibility that alternated wildly between incomprehensible modernist experiments and a simple but elegant realism.’
Hij blijkt wel wel een goeie schrijver te zijn die merkwaardige journalistieke bijdragen geleverd heeft, zowel aan marginale trotskistische blaadjes als aan grote persbedrijven. Vastigheid heeft het hem niet opgeleverd, literaire voldoening evenmin. Mangan holt een levenlang van hot naar her, sterft uitgeput in een hotel in Rome en laat daar een pak schulden na. Hij is nauwelijks 57 geworden. Zijn kameraad Wheelwright is dan al lang dood. Hij sterft in 1940, op zijn drieënveertigste, in een autoaccident.
Flor Vandekerckhove

(*) Allan M. Wald, The Revolutionary Imagination. The Poetry and Politics of John Wheelwright and Sherry Mangan. 1983. 288 ps. Uitg. The University of North Carolina Press. ISBN 0-8078-1535-7.


zondag 25 mei 2014

De weg naar Broosistan


Op de website van beeldend kunstenaar Dirk Schellekens staat een intrigerend bericht: ‘In tijden waar landen zo klein mogelijk proberen te worden, vonden kunstenaars Dirk Schellekens en Bart Peleman een handig uitklapbaar model uit, waar het gras veel groener is dan op een ander. Op 23 mei om 12 uur kwamen zij begeleid door Anna Roza Holvoet op klarinet aan in Antwerpen en klapten ze hun mobiel land voor de eerste maal uit. Op de tonen van de door Helmut Lotti ter plaatse gezongen hymne van de hand van Raymond van het Groenewoud werd de atypische vlag (ontworpen door Elisabeth Roggeman) gehesen aan een uitvouwbare mast. Dichter van Broosistan Peter Holvoet-Hanssen declameerde hierna enkele gedichten over Broosistan. En dan mochten de massaal opgekomen bezoekers eindelijk de groene vlakte van Broosistan betreden…’ (*)
We hebben de beelden bekeken, we hebben de hymne beluisterd en we hebben Holvoet-Hanssen weer eens in zijn gewone doen gezien. En we hebben vooral gezien dat het goed was, hartverwarmend goed! 
Wat Dirk Schellekens, Bart Peleman & C° daar met Broosistan deden, maakt deel uit van een lange traditie. Die begon misschien wel wanneer William Morris in de XIXde eeuw ambachtslui en kunstenaars samenbracht om boeken, behangselpapier, glas in lood en tapijjten te ontwerpen en te produceren. Kunstenaars moesten zich in de visie van Morris niet onledig houden met het vereeuwigen van de machtigen en de rijken. Ze moesten zich verenigen om mooie voorwerpen voor het volk te maken. De ateliers van Morris, Marshall, Faulkner & C° waren dan ook niet alleen indrukwekkend omwille van de merkwaardige productie die er gerealiseerd werd, ze waren ook een indrukwekkende politieke daad.
Morris was een voorloper. Wat in zijn tijd nog niet mogelijk bleek, is dat gaandeweg wel geworden. De maatschappij evolueerde in een richting waarin kunstwerken almaar gemakkelijker gereproduceerd konden worden. De aura waarmee het eertijds unieke kunstwerk omgeven was vervaagde, linkse kunstenaars verkregen hoe langer hoe meer technische mogelijkheden om het keurslijf van het kapitalisme te ontwijken. Mocht hij nog leven dan zou de filosoof Walter Benjamin vandaag zien dat hij in almaar toenemende mate gelijk aan 't krijgen is. (**)
Uiteraard bestaan er nog altijd kunstenaars die, als waren ze superindividualisten, zichzelf op geniale wijze uitdrukken in werken die vervolgens beoordeeld en gekocht worden door een elite van critici, galeriehouders en verzamelaars. Maar er is, vertrekkend van William Morris, in de kunst ook een linkerzijde gegroeid van artiesten die grote waarde hechten aan begrippen als collectiviteit en gemeenschap, en die zoeken naar mogelijkheden om hun productie buiten 'het circuit' te verspreiden.
In mei 1968 bezetten studenten en docenten in Parijs hun Êcole des Beaux Arts en richtten er hun atelier populaire op waarin de bekende affiches van Mei 68 geproduceerd werden. De ontwerpen werden ter goedkeuring voorgelegd op algemene vergaderingen. Groepswerk was er eerder ook in het surrealisme en in Provo met de legendarische happenings; later bijvoorbeeld ook in het AIDS Memorial Quilt, waarbij ter herinnering aan overleden aidsslachtoffers een enorme lappendeken gemaakt werd, waarvan het gewicht uiteindelijk op 54 ton geschat wordt en dat wellicht het grootste stuk gemeenschappelijke volkskunst — op ’t internet bekend als community art — ter wereld is.
Broosistan is uitgevoerd in materialen die in de Brico gekocht kunnen worden, kunstgras, spaanderplaat… Ook daarmee volgen deze kunstenaars een lange traditie. Michelangelo Pistoletto heeft vodden gebruikt, Alghiero Boetti heeft een monumentale toren uit golfkarton gebouwd…
En telkens het land Broosistan ergens ontplooid wordt, zal ik denken aan de situationisten die destijds door Parijs dwaalden en elkaar via walkie talkies meldden hoe daardoor situaties ontstonden.
Allez, om een lang verhaal kort te maken, Broosistan is net wat we vandaag nodig hadden. Misschien past het wel om nu ook een idee van Ernesto Che Guevara in te palmen: schep twee, drie… vele Broosistans!

De ene zondag is de andere niet


Georges Seurat (1859-1891). Dimanche d'été à la Grande Jatte (1886).
Georges Seurat en Paul Signac waren Franse kunstschilders en grondleggers van het 19de eeuwse neo-impressionisme, beiden experimenteerden met het pointillisme waarvan ze ook erkende theoretici en grondleggers waren.
In 1886 voltooide Georges Seurat zijn beroemde schilderij Dimanche d’éte à la Grande Jatte. In dat werk verbeeldt hij zich een eilandje in de Seine, dichtbij Parijs, op een idyllische zondagmiddag. Op deze vrije dag wordt er geflaneerd, op stranden en dijken, op boulevards, in parken en op eilandjes als la Grande Jatte. In dat gebeuren vermengt de bevolking zich. Op Seurats werk zien we bourgeois met hoge hoeden, een militair, spelende kinderen in mooie kleren, we zien een arbeider, een demi-mondaine (het aapje is een symbool voor promiscuïteit), kinderjuffen… Op zo’n zondag is iedereen gelijk, althans op dit eilandje, een niemandsland tussen de sloppenwijken van Parijs enerzijds en de betere buurten anderzijds.
Uiteraard is de idylle slechts schijn. Al die mensen vormen op het tableau scherp afgebakende figuren, in aparte groepjes, en lijken daardoor wel eilandjes op een eiland te zijn. De klassen vermengen zich alleen maar in schijn. Zelfs op La Grande Jatte blijven ze gescheiden door de al te reële maatschappelijke tegenstellingen. Vandaar ook dat de personages veelal stevig ingesnoerd zijn in de kleren die ze dragen; de mannen staan erbij met toegeknepen kelen en de vrouwen staan verstijfd in hun korsetten. Het lijken wel tinnen soldaatjes.
De collega’s van Seurat erkenden het werk als een manifest. Dit was waarlijk een kenmerkend beeld van hun negentiende eeuw, gevat in de progressieve techniek die het pointillisme toen was.
Paul Signac (1863-1935). Au temps d'Harmonie (La Joie de Vivre —
Dimanche au Bord de la Mer) (1895)
Paul Signac, die andere pointillist, geeft een antwoord op Dimanche d’éte à la Grande Jatte van Seurat. De titel laat daar geen twijfel over bestaan. In 1895 publiceert hij een kleurenlitho die Au Temps d'Harmonie (La Joie de Vivre - Dimanche au Bord de la Mer) heet. En ja, beide werken zijn wel degelijk goed vergelijkbaar. Twee kunstenaars, twee tijdgenoten, twee pointillistische werken, twee keer een gelijkaardig onderwerp. En toch zijn ze zo verschillend.
De zondag van Signac speelt zich duidelijk niet af in de conflictueuze XIXde eeuw, maar in een imaginaire toekomst. Voor Signac ligt het Gouden Tijdperk (De tuin van Eden?) niet in het verleden, maar in de toekomst. We zien mensen die zichzelf en het land cultiveren; ze lezen, schilderen, bewerken het land en spelen. En ze doen dat samen. Hier is geen sprake van de stijfheid die het werk van Seurat ons laat zien. De afgebeelde personages van Signac zitten niet gekneld in hun ‘zondagse kleren’, mannen lopen rond in ontbloot bovenlijf, ze hebben hun broekspijpen omgeplooid, de vrouwen hebben hun korsetten naar het museum verbannen. Hier zien we geen enkele dichtgesnoerde hals.
De imaginaire kracht van Signac komt voort uit zijn wereld- en mensbeeld. Signac is naast neo-impressionist ook anarchist. Hij streeft naar een wereld waarin staat en kapitaal, samen met de korsetten, naar het museum verbannen zijn. Blijft over: een harmonische wereld, het rijk van de vrijheid waarin geen verboden vruchten meer zijn, zoals het in de litho getoond wordt door de figuur op de voorgrond die de appel rustig plukt; wat een slang had kunnen zijn, is bij Signac een tak.
U kunt tegenwerpen dat dit idyllische tafereel van een behoorlijk naïeve visie getuigt, maar dan moet u zich tegelijk afvragen waarom die naïever zou zijn dan deze van de onlangs overleden Jean-Luc Dehaene, naar verluidt een van de meest realistische politici die dit land ooit voortgebracht heeft. Die mens zei in de hemel te geloven, in een hiernamaals, in een ‘gemeenschap der heiligen, een echte gemeenschap die vanuit dit leven reeds wordt opgebouwd.’ (*)
Interessanter dan die tegenwerping is bijgevolg de vraag of we moeten kiezen tussen het werk van Seurat en dat van Signac. Ik denk het niet. Kunst is nooit het ene of het andere, kunst is altijd 't een en 't ander. Hier tonen beide werken ons de menselijke behoefte aan een harmonieus en compleet leven. Seurat toont ons hoever we er nu mee staan, Signac toont ons hoever we kunnen geraken.
Flor Vandekerckhove

(*) Geciteerd in De Standaard, 23 mei 2014.

vrijdag 23 mei 2014

Oostende spookstad (slot)


Overal waar er water is, verschijnt ook de nekker. In Mechelen werd
zelfs de Nekkerpoel naar hem genoemd. Op deze foto duikt hij op in

een park in Berlijn (beeld van Otto Petri, 1907).
Dit is het zesde en gelukkig ook het laatste deel van de bijdragen die ik deze blog publiceer over Oostende als spookstad-aan-zee. De inspiratie voor al die stukjes heb ik in de Vlaamse volksverhalenbank gevonden, terwijl ik daar naarstig naar 't bestaan van spookschepen aan ’t zoeken was. 
Van het rampschip Costa Concordia ging het in een eerste stukje naar het Heistse spookschip Concordia en vandaar naar de Oostendse variante, de Osschaert (*)
Toen ik illustraties zocht, viel mijn oog op de afbeelding van café Den Osschaert in het landelijke Adegem. Vreemd, zo dacht ik meteen, zouden ze daar, in het verre binnenland, tussen akkers & velden, iets met een Oostends spookschip te maken hebben? Ik begon de zaak te onderzoeken, en dat met de mij kenmerkende ijver alsmede met behulp van het wereldwijde web.
Naarmate ik doordrong in de wondere wereld van magie & folklore kwam ik tot de verontrustende conclusie dat het spookschip Osschaert nòg vreemder was dan je van zo'n vaartuig redelijkerwijze mag verwachten.
In Oostende circuleerden immers ook andere Osschaertverhalen: Een boer trof tot zijn grote verbazing twee paarden aan in zijn stal, terwijl hij er maar één had. De boer besloot beide paarden de ploeg te laten trekken. 's Avonds stelde hij vast dat maar de helft van zijn veld omgeploegd was; elke tweede rij was weiland gebleven. Osschaert was in de gedaante van een paard verschenen om de boer te plagen.’ Osschaert blijkt dus niet alleen een spookschip te zijn, maar ook een paard. Of een hond, want ook dit verhaal is in Oostende bekend: ‘Bezembinders gingen 's nachts vaak berken stelen voor het maken van hun bezems. 's Nachts werden de dieven vaak begeleid door Osschaert, die nu eens als hond, dan weer als paard verscheen.’ Osschaert is, zo moet ik besluiten, geen schip, maar een geest die zich, naargelang de plaats en de situatie, in vele gedaanten kan hullen: hond, paard, schip…
Er is in Oostende nog een andere watergeest bekend, de waternekker. (**) Ook dit spook toont zich in vele gedaanten. ‘Een vrouw die naar de mis ging, zag een pakje in de goot liggen. De vrouw ging kijken en zag dat het een kindje was, dat men te vondeling had gelegd. Ze nam het mee en gaf het pap. Toen het zijn buikje vol had, vloog het door de schoorsteen weg terwijl het riep: "Ik heb gegeten, ik heb gegeten!" Men vertelde dat het kind de waternekker was geweest.’ De waternekker kan een kind zijn, maar ook een man: ‘Een vrouw die na middernacht terugkwam van haar werk bij het Sas, werd altijd gevolgd door een witte man. Wanneer er andere mensen kwamen kijken, was de man plots verdwenen. Het was de waternekker.’ Een kind, een man, maar ook een vrouw: ‘Een vrouw uit Oostende raakte verdwaald en belandde op het kerkhof. De waternekker had haar naar daar geleid. Men geloofde dat de waternekker een vrouw was.’ Kind, man, vrouw en soms alleen maar een stem: ‘Een vrouw die terugkwam van de vismarkt, voelde overal jeuk. Toen de vrouw een vlo had gevonden, hoorde ze een stem zeggen: "Kraak ze maar! Als je er veel hebt, kraak ze dan maar allemaal!" Daarop deed de vrouw het licht uit en kroop in bed. Het was de waternekker die naar de vrouw had geroepen.’
Laat het duidelijk zijn, zowel Osschaert als zijn collega de waternekker konden van alles zijn, en vooral een leugentje: ‘Een dronkaard die 's avonds op café was geweest, kwam pas de volgende dag rond de middag thuis. De waternekker had hem doen verdwalen. Een tijdje later maakte de man nog eens hetzelfde mee.’ Jaja.
Flor Vandekerckhove

(**) Over de herkomst van het woord waternekker valt er een interessant stuk te lezen in de zeer aan te raden blog met ‘herinneringen uit het verleden’: http://berichtenuithetverleden.wordpress.com/2011/05/10/de-nekker/

woensdag 21 mei 2014

Vier zussen (sprookje)


Het werd een feest op Griekse wijze.
Er waren eens vier zussen. Nicole, de oudste, was het huis al uit, maar de drie andere woonden nog in bij hun moeder. Bij die thuisblijvers luisterde er ene naar de naam Nicale en een andere heette Nicule. Tenslotte was er nog het jongste zusje, een achterkomertje, dat door iedereen Onze Kleine Pruts genoemd werd.
Nicale, Nicule en Onze Kleine Pruts leefden thuis een kommerloos bestaan. Ze plukten bloemen, vervlochten die tot lauwerkransen en dansten vervolgens zingend in het rond tot de avond viel en het weer eens tijd werd om naar bed te gaan. Ze deden ook nog wel andere dingen, in de winter bijvoorbeeld, wanneer er geen bloemen te plukken waren, maar ook die bezigheden hadden een idyllisch karakter.
Die toestand zou evenwel niet blijven duren, want Nicale en Nicule bereikten al vlug de leeftijd waarop ook zij de vleugels zouden uitslaan. De moeder begon zich op het onvermijdelijke voor te bereiden en maande Nicole aan om haar zussen te begeleiden in de zoektocht naar een geschikte partij, bij voorkeur een hardwerkende Vlaming die in deze besparingstijden steun en toeverlaat kon zijn voor zowel Nicule als Nicale, een dubbelslag als 't ware.
De taak was niet eenvoudig, maar Nicole kweet er zich voorbeeldig van. Ze legde haar twee jongere zusters de do’s & don’ts van het ritueel uit en nam hen vervolgens mee naar een etablissement waar de theorie aan de praktijk gekoppeld kon worden. Daar ontwaarden Nicule en Nicale inderdaad een jonkman die tot hun verbeelding sprak. Nadat ze hun voorkeur kenbaar gemaakt hadden, begaf Nicole zich naar barman Nick, die zij nog 'van in haar tijd’ kende.
‘Met welke auto is die jongen naar hier gekomen?’ Nicole vroeg dat omdat er haar inziens veel te leren viel uit de keuze van een wagen. Het merk, het type, de kleur… De slaagkansen van een huwelijk waren eruit af te lezen. Zelf had ze destijds voor een monovolume gekozen, grijs, Citroën, en ze had zich de eigenaar ervan, haar echtgenoot, nooit beklaagd.
Nick moest lachen toen hij haar door het venster het paard aanwees waarmee de jongeman zich placht te verplaatsen. Op de parking voor de deur stond tussen de vele auto’s inderdaad een mooi glimmend, wit ros. Nicole moest een kreetje onderdrukken.
Vlug vervoegde zij haar zusters die, zenuwachtig nippend van hun frisdrank, zaten te wachten. ‘De tekens liegen niet,’ zei ze overtuigd, ‘dit is duidelijk de prins op het witte paard. Mocht ik in jullie plaats zijn, ik zou niet twijfelen.’
Dat deden de zusters dan ook niet en zo komt het dat het trouwfeest enkele maanden later al kon doorgaan. Het werd een feest op Griekse wijze en daarom ging het door in een plaatselijk benzinestation. Nicale en Nicule zagen er verrukkelijk uit in hun trouwkleren. Iedereen deed zich tegoed aan de versnaperingen uit de nachtwinkel. Er werd gedanst, gedronken en gezongen. Het witte paard van de prins stond deze merkwaardige gebeurtenis op enige afstand gade te slaan en wachtte geduldig op de dingen die gingen komen.
Toen het tijd werd om het feest af te ronden, zochten Nicale en Nicule vergeefs naar hun gemeenschappelijke bruidegom. Neen, moeder had er geen idee van waar de prins zich bevond en Nicole kon haar zusters evenmin helpen. Ook het witte paard werd bevraagd, maar het gaf, zoals te verwachten was, geen antwoord. Niemand bleek te weten waar de bruidegom zich ophield.
Niemand? Toch wel. De pompbediende had gezien hoe de prins en Onze Kleine Pruts hand in hand weggelopen waren. Ze hadden het feest stiekem ontvlucht en waren om de hoek op de bus gestapt, de 89, de avondlijn, die hen naar een onbekende toekomst gevoerd had, alwaar ze vervolgens nog lang en gelukkig leefden. Of misschien ook niet, want van die twee werd nooit meer iets vernomen.
Flor Vandekerckhove

zondag 18 mei 2014

Oostende spookstad (V)


Waar sprake is van gevaar, economische onzekerheid en onvermogen
om ecologische krachten te beheersen treft men taboes aan. —
Minstens de helft van alle Oostendse spookverhalen hebben met de visserij te maken. Verwonderlijk is dat niet, want tot het midden van de vorige eeuw was Oostende een echte vissersstad en de visserij vormt, door de aard van het beestje, een milieu waarin zo’n verhalen goed gedijen.
Meestal worden die verhalen als folklore weggezet of als bijgeloof, wat ik altijd al een verdachte term gevonden heb. De waarheid is dat die verschijnselen wel degelijk te verklaren zijn. We gaan Oostende vandaag een beetje onttoveren.
Veel van die vissersverhalen hebben met een taboe te maken: sommige zaken mogen niet gezegd, gezien of gedaan worden. Wanneer het toch gebeurt, wijst dat op onheil. Antropologen hebben daar een uitleg voor. Waar sprake is van gevaar, economische onzekerheid en onvermogen om ecologische krachten te beheersen daar treft men taboes aan. (*) De visserij voldoet uiteraard aan al die voorwaarden.
Dat laat ook toe te begrijpen dat die taboes niet alleen in Oostende bestaan, maar in alle vissersgemeenschappen. Het is bijvoorbeeld omzeggens overal een slecht voorteken wanneer er bij het afvaren een geestelijke ontwaard wordt. Over pastoors mag aan boord ook niet gesproken worden. Dat geldt voor Oostende: E je mocht nie spreken van e paster (…)’, maar er zijn ook soortgelijke getuigenissen uit Nederland en Schotland.
Ook daar hebben antropologen een verklaring voor. Enerzijds komen pastoors van buiten de vissersgemeenschap en zijn ze buitenstaanders, anderzijds spelen ze in die gemeenschap een grote rol, bijvoorbeeld tijdens begrafenissen. Ze zijn bijgevolg ambigu, en het is ongetwijfeld beter om bij het uitvaren alle dubbelzinnigheid te mijden.
Hetzelfde geldt voor een vrouw, vooral wanneer die oud is. In Heist werd daarover een getuigenis opgetekend: Gebeurde het dat Miette - die eigenlijk Marie Delanghe heette, - op de kade naar een schip keek, dat gereed was om uit te varen, dan weigerde de bemanning zee te kiezen, onder voorwendsel dat het schip "bekocheld" was.’ (**)
Dat is interessant, want deze Miette, alias Marie, is uiteraard niemand anders dan de Oostendse Miete Delanghe, waarover ik het eerder al in een ander stukje had. (***) In de Vlaamse volksverhalenbank staat een uitvoerige getuigenis over een gelijksoortig voorval met deze Miete, maar dan in Oostende. De mannen willen uitvaren, maar het schip ligt vast aan een meerpaal waarop Miete Delanghe zit toe te kijken. Gevolg: de vissers durven niet vertrekken: Ja, Miete de Lange, godomme, (…) oe most e’twoar e schip in zèè goan, (…) en ze zaat zie op e poale woa dad under ende an vaste was, ze giengen zieder ni zeggen: “Madame, god e bitje weg wè.” Nei’s, ze giengen zieder wachten toe da ze giengde, en ton giengen ze dat ende lossen, en ton giengen ze in zèè goan. Ja, ze giengen nie weg goan wi, ze giengen in zèè nie goan.’
Voor vrouwen geldt hetzelfde als voor de pastoor. Ze spelen een belangrijke rol in de gemeenschap, maar aan boord zijn het wel degelijk buitenstaanders. En aan buitenstaanders heb je op ’t moment dat je afvaart niets, want je begeeft je in een situatie waarin je als visser lichamelijk en economisch bijzonder kwetsbaar bent. Het zien van buitenstaanders op zo’n moment is bijgevolg een slecht voorteken.
Voor vrouwen komt daar nog iets bij. Nog in mei 2013 publiceert Het Visserijblad een interview met de jonge Nieuwpoortse schipper Rudy Beuckels, waarin deze het onomwonden zegt: ‘De zee is als een tweede vrouw.’
Vissers die gaan werken, zijn op weg naar een symbolische vrouw, te weten hun schip. Een vaartuig is niet alleen maar materiaal, het is ook een symbolisch voorwerp. Een schip wordt gedoopt, krijgt een naam (vaak van een vrouw) en heeft peetouders. Er wordt altijd in de vrouwelijke vorm aan een schip gerefereerd. De visserij heeft een zekere seksuele bijklank. Vissers werpen hun netten uit en 'bezwangeren' hun schip met de vangst die ‘zij’ in haar 'buik' (het ruim) bewaart. In een haven wordt het schip van de vangst 'verlost.' De vissers hebben deze 'vrouw' nodig voor hun economische reproductie en kunnen zich bij de afvaart niet associëren met andere vrouwen, die deze reproductie in gevaar brengen.
Waarom het taboe vooral voor oude, lelijke vrouwen, zoals Miete Delanghe, geldt, valt ook te begrijpen. Die vrouwen spelen geen rol meer in de sociale reproductie. Antropoloog Rob van Ginkel zegt hierover: ‘Mogelijk maakt juist dat hen tot het lijdend voorwerp van rituele vermijding, omdat ze in dat opzicht geen positieve functie vervullen.’
Samengevat: vissers kunnen zich in hun kwetsbare positie niet associëren met wat een code van gevaar, improductiviteit of dood uitdraagt, en dat geldt zowel voor vrouwen als voor pastoors.
Veel spookverhalen uit de Oostendse visserij hebben ook betrekking op dieren. Ik vind spookverhalen over katten, honden, slangen, vossen, raven, kraaien… In de folklore zijn dat allemaal dieren die in duivels of heksen kunnen veranderen. Vandaar dat er ook op hun aanwezigheid een taboe rust.
Vreemd is dat er ook nog een andere categorie van dieren te mijden zijn. in Texas zijn dat alligators, in Zweden kikkers, in de Shetlands zeehonden en otters… En in Oostende is er een verhaal over zwanen: Een visser die in het holst van de nacht met zijn sloepen naar zee ging, kwam onderweg zes kleine zwaantjes tegen. De visser zette de dieren in zijn mand. (…)Tijdens de tweede nacht ging de visser de zes zwaantjes eten geven. Tot zijn grote ontzetting stelde hij vast dat de zwaantjes in doodshoofden waren veranderd. In de overtuiging dat het om een slecht voorteken ging, besloot de kapitein terug te keren. Toen het schip aanmeerde, vernam de visser die de zwaantjes had gevangen dat zijn vrouw was overleden.’
Voor zwanen geldt wat voor alligators, kikkers, zeehonden en otters geldt. Ze kunnen de grens tussen land en water overschrijden. Ze zijn bijgevolg ambigu. Ze zijn dubbelzinnig, net zoals vrouwen en pastoors dat op een andere manier zijn. En alles wat ambigu is dient bij een gevaarlijke onderneming als de visserij gemeden worden. Zoniet…
Flor Vandekerckhove



(*) Rob van Ginkel, Tussen wal en schip. Taboes en territoriale overgangsriten in Noord-Atlantische vissersgemeenschappen. Alle antropologische verklaringen betreffende de taboes in de visserij haal ik uit dat stuk.
(**) A. Van Hageland, De magische zee. 1961. Davidsfonds Leuven.
(***) Over de visverkoopster Miete Delanghe hadden het uitgebreid in het hieronder staande Oostende spookstad (IV).


woensdag 14 mei 2014

Oostende spookstad (IV)


Oostendse visverkoopster (Frans Masereel).
Ooit is er in Oostende een visverkoopster geweest,  — e viswüf — die een bijzonder kwalijke reputatie torste. Dat had niets met de kwaliteit van haar waar te maken, want die mocht levend vers genoemd worden. Misschien àl te levend, want de Vlaamse Volksverhalenbank vermeldt dat zij in staat was garnalen tot leven te wekken, ook nadat die al gekookt waren.
Folkloristen hebben over deze Miete (Marie) Delanghe heel wat informatie verzameld. We weten bijvoorbeeld hoe ze eruitzag: ‘zaa’d e wit tütjen an en zaa’d e koane en e kappemantel en 'n mestache.’ [Ze droeg een wit kapmutsje en een mantel met kap, ze had een wandelstok en een snor.] Met dat uiterlijk joeg ze de kinderen schrik aan: ‘Mo da was e mêns med e witte tütte die toch zo lèlik was, die sproeten en ollegoare ade. Wan on’k e joengen woaren ‘k was benauwd van eur, ‘ke steken ’t nie weg ewo.’ Samengevat: mevrouw Delanghe was lelijk als de nacht.
In Oostende heeft ze op verschillende plaatsen gewoond, maar altijd in het visserskwartier. ‘Miete Delanghe weunde (woonde) in een achterhüs he’. Een getuige heeft het over 'een smal straatje’, een andere weet dat ze in de Langestraat huisde, een derde vermeldt de Visserskaai: ‘Ze woonde zij in dat zelfde huis waar dat me zeune (zoon) woont op de Visserskaai’ en een vierde is heel precies: ‘Ze weunded’op de koaje in ’t Zwienschje die in de Belgica is, die restaurang.’
Meer dan een handsvol garnalen had ze niet te verkopen en veel verdiende ze daar uiteraard niet mee: ‘e pientje voer e klütje. Da was eur brood.’ Miete Delanghe was dus niet alleen lelijk, ze was ook oud en arm. Ze was geen weduwe, maar aan haar echtgenote had ze niets, want: ‘Tien jaar heeft ze haar vent daar laten zitten in een stoeltje en je koste (hij kon) daar niet uit eé. Tien jaar lang!’ Met als gevolg dat ze zelf voor de kost moest zorgen.
Ze was zelfs zo arm dat ze niet in staat was om haar waar bij de vissers aan te kopen. Ze bedelde erom of ruilde de vis tegen een zakje thee. Die thee was tweedehands. Delange verzamelde gebruikte thee, droogde die en zette dat gerecycleerde product vervolgens in als ruilmiddel: En ze krèèg zie thee van d’otels en ze droogde zie dadde en ze gaaf da ton an de visschers voer e bitje vis.’
Een pientje (pint) was een meeteenheid,
een 'klütje' (kluit) was 10 centiem.
De vissers durfden de ruil niet te weigeren, want Miete mocht lelijk, arm en oud zijn, ze was niet op haar tong gevallen: ‘Ze kwaam sie voo de schepen achter e bitje vis en osse ginne krèèg, ze verwensted’under.’ Zo’n verwensing werd niet licht opgenomen ‘omdaan ze zein dat da e toveresse was’.
Delanghe was, met andere woorden, een heks: En as ze geen visje kreeg past op wè (hoor), ze verwenste je en ’t zijn er zo vele geweest, z’hadden haar niks gegeven en ze waren pas in zee of under (hun) korretje (net) en geheel under (hun) boeltje (visinstallatie) weg.’ Erger kon ook, want er is een voorval bekend waarbij een verwenste schipper het leven liet. Zijn schip verging met man en muis. ‘En olle visschers adden schrik van eur.’
‘t Zijn dan ook geen dingen om mee te lachen, maar andere toverkunsten van mevrouw Delanghe zijn dat dan weer wel. Kijk maar wat vader Sanders overkomen is: ‘Z’heeft nog Gabriel Sanders z’n vader uit z’n bedde getrokken op strate en op de kaaie en daar doen dansen.’ ‘t Is een uitleg als een andere, zoals ze dat in Oostende zeggen.
Delanghe had dus vooral een brede rug. Alle narigheid werd op haar afgeschoven. Slechte vangst: Miete; scheepsramp: Miete; wangedrag: Miete Delanghe…
’t Was ook nooit goed. Maakte ze gebruik van haar toverkrachten dan was ’t verkeerd, maar ook het omgekeerde werd haar aangerekend. Een getuige vertelde een voorval uit de tijd waarin hij als scheepsjongen op het vissersvaartuig O 176 voer. De naam van de reder (of de schipper) werd zelfs vermeld: Lebelier. Het voorval speelde zich af in de tijd waarin dienstplichtigen per lot aangeduid werden. Wie uitgeloot werd had geluk, wie ingeloot werd moest dienen. Wie zich ter loting begaf, deed er goed aan eerst bij Miete Delanghe langs te lopen. Die vermeldde de potentiële loteling vervolgens in haar gebeden en ja, dat scheen al eens te helpen, want er was zo'n geval bekend. Daarom trok ook ene Charles Bouwens zijn stoute schoenen aan. Hij riep de hulp van de heks in om uitgeloot te worden: ‘Charel Bouwens, die ier geweest êt, moest loten, enne ie giengdie ook no Miete de Lange, EN JE LOOTE DER IN. Cho!...’ Bij Charel was ’t blijkbaar niet gelukt. Waaruit we alleen maar kunnen concluderen dat het leven ook in die tijd niet simpel was.
Flor Vandekerckhove

zondag 11 mei 2014

Oostende spookstad (III)


Lijnbaanstraat in de jaren 50. (Foto Roland). We zien nog de oude
huizenrij die nu grotendeels gesloopt is.
Weet je wat ’t is? Er zijn maar weinig Oostendenaars die willen toegeven dat het thuis spookt. Toch zijn er ook vandaag nog dergelijke huizen in de stad te vinden. Alom bekend is bijvoorbeeld dat ’t spookt in de Villa Maritza, een restant van de zeedijkarchitectuur uit de Belle Epoque, op de Albert I promenade. Journalisten die erover willen berichten, komen steevast van een kale reis thuis, want degenen die het kunnen weten houden de kiezen op elkaar.
Dat gebeurt wel meer. In de Vlaamse Volksverhalenbank stoot ik op een getuigenis uit 1958: ‘Zo is er hier in het Liemerstraatje ofte het Lijnbaanstraatje een geest die terugkomt en iedere nacht alle meubels van het huisje doet dansen en rammelen. Meer hierover mag ik niet vertellen daar die familie nog leeft.’
Of die familie ook vandaag nog leeft kan ik niet zeggen, maar de Lijnbaanstraat kun je geen straatje meer noemen. Da’s minder een straat dan wel een parkingplaats. De plek is zo breed geworden doordat er een hele huizenrij gesloopt werd.
Vroeger, tot halverwege de vorige eeuw, was ’t wel degelijk een armoedig en smal straatje. Daar stonden ook de oudste huizen. Die hadden een gootje dat doorheen de voorgevel ging en diende om het kuiswater naar het riool af te voeren. Over een huis met zo’n afvoergootje bestaat een Oostends griezelverhaal.
In de Lijnbaanstraat woont er een drinkebroer die tot ergernis van zijn echtgenote elke avond op stap gaat. De getuige vertelt: ‘Je komdie nu van üt ze cafeetjes in ’t gat in de nacht en je ziet toar zo’n klèèn oendje lopen en je roept da bèèsje. Mo oe naoder da ta bèèsje komt, oe grotter da dien oend wordt, zodaonig o’t op e step of tiene van em komt, is ’t zo groot of ’n ezel. E je goat an ’t lopen toe an ’t Liemboarstratje en oe mèèr datten liep, ’t was op lange laste zo groot of e pêerd. En je vlucht in z’n üs en je smiet da durtje toe,’  [Een man die naar het café was geweest, kwam op de weg naar huis een klein hondje tegen. De man riep naar het dier en kwam dichterbij. Naarmate de man dichter bij de hond kwam, werd het dier steeds groter. Toen het beest zo groot als een ezel was geworden, sloeg de man op de vlucht. Hij liep snel naar zijn huis in het Lijnbaanstraatje terwijl een dier zo groot als een paard, achter hem aan zat. Thuisgekomen gooide de man snel de deur dicht.]
Die mens denkt dat hij aan het ding ontsnapt is, maar het verhaal krijgt een staart van het type waarvan Stephen King later zijn specialiteit gemaakt heeft, ‘mor aamedekèè stikt die groete noend ze kop deur da gotegat en gif en schrikkelik hakilg gelüt.’ [Het volgende ogenblik stak de grote hond zijn kop door het afvoergat van het water en maakte een akelig geluid.]
Toch is ‘t uiteindelijk goed gekomen, want ‘die vint â nooit mi durven ütgoan. Je was genezen.’ Of hoe ’t zien van zo’n spook ook goede gevolgen kan hebben.
Meestal loopt het slechter af. Afvoerputjes, gootstenen, lavabo’s en badkuipen… Alles wat in verbinding staat met het riool is een weg waarlangs het kwade in huis kan komen. Er zijn tal van griezelverhalen waar ‘het’ op die manier gebeurt, zoals dat ook het geval is in Kitchen Sink, een korte horrorfilm uit 1989, die eerst nog op ’t net te zien was, maar nu niet meer wegens opeens verwijderd. Bovenaardse krachten? Wel neen, gewoon een kwestie van copyright. 
Flor Vandekerckhove