zondag 28 september 2014

De eenling van de Flandern (1)

'To hell with facts!
We need stories!'
(Ken Kesey)

Er zijn er maar weinig die dit weten en zelf heb ik er nooit eerder met iemand over gesproken, zelfs niet met mijn kinderen, maar ik ben in 1971 wel degelijk actief betrokken geweest bij een actie van de Rote Armee Fraktion, de RAF.
In Amsterdam had ik enkele jaren eerder, tijdens een vreugdevolle happening, kennis gemaakt met de graficus Ronald A., waarmee ik bevriend geraakte. Nadat ik naar huis teruggekeerd was, bleven Ronald en ik met elkaar corresponderen. De toon van zijn brieven werd harder en ik volgde hem daarin. In september 1969, vlak voor hij naar West-Berlijn zou verhuizen, kwam hij bij me langs. Hij bleef een maand logeren. Een laatste vakantie, zo noemde hij het, waarna het voor hem menens zou worden. Die vakantie was, zo had ik al vlug begrepen, een dekmantel. Ronald was naar me toe gekomen om alhier de Vlaamse tak van de RAF op te zetten, de Rote Armee Fraktion, Division Flandern. Dat was nog voor iemand alhier iets van die Duitse RAF vernomen had, de strijdgroep die later deze van De Eerste Generatie genoemd zou worden en waaraan legendarische namen vasthangen: Andreas Baader, Gudrun Ensslin, Horst Mahler, Ulrike Meinhof, Jan-Carl Raspe…
— De kazerne de Hollain, waar ik in 1971 mijn legerdienst volbracht. — 
Ik had Ronald leren kennen als een eerlijke kerel, een van de weinigen die de daad bij het woord voegde, een makker om trots op te zijn. Hij slaagde er dan ook gemakkelijk in om me te rekruteren, vooral omdat ikzelf niet meteen verondersteld werd iets te ondernemen. Ik zou, wat hij noemde, een slapend lid worden, een eenling, iemand die een doordeweeks leven moest leiden tot hij opgeroepen werd. Wat dat oproepen concreet zou inhouden kon Ronald me niet zeggen, dat konden hand- en spandiensten zijn, het kon harde actie zijn; wanneer het zou gebeuren wist hij evenmin. Misschien nooit, zei hij. Dat misschien nooit trok me over de streep en op 9 september 1969 trad ik toe. Ik kreeg een schuilnaam (Edmund von Friedhof) en werd een slapend lid van de Rote Armee Fraktion, Division Flandern, in terroristische kringen al vlug afgekort tot de Flandern.
Achteraf kunt u zeggen dat ik daar een verwerpelijke keuze gemaakt heb, maar dat komt alleen maar doordat we intussen de geschiedenis kennen. In 1969 moest alles nog aanvangen. De naam van de nieuwe club mocht vervaarlijk klinken, de praktijk was nog onbestaand. En ik was twintig, een leeftijd waarop men de gevolgen van zo’n keuze niet goed kan inschatten; een leeftijd ook waarop het avontuur je lachend in zijn netten lonkt/lokt.
Er is, tot vandaag, bij mijn weten, nooit onderzoek naar de Flandern verricht, noch door politiediensten, noch door vorsers. Dat komt doordat we de regels van de clandestiniteit perfect gevolgd hebben, iets dat me vandaag nog altijd met ongepaste trots vervult. We hebben géén sporen nagelaten, — iets wat in sterke mate aan mij te danken is — maar de Flandern heeft daarom niet minder bestaan. Ik werd gerekruteerd als eenling, maar ik was niet het enige lid. Godver neen. Er zijn nog Vlamingen toegetreden, want ik werd, zij het onregelmatig en met lange tussenpozen, door Vlaamse kameraden gecontacteerd. Ik moest me dan naar een café begeven, waar iemand me via de telefoon aan de bar opbelde, overduidelijk met een Vlaamse tongval. Of ik moest in een park gaan zitten op een welbepaalde bank waar iemand een broodzak achtergelaten had waarin naast een volkorenbroodje ook een briefje zat, in slecht Nederlands geschreven en niet in het handschrift van Ronald. Het was best spannend, maar het bleken achteraf toch altijd maar oproepen voor financiële steun te zijn, geld dat ik op almaar wisselende plaatsen moest achterlaten. Meer dan een kostelijke hobby leek het me in ’t begin niet te zijn, het was een spel voor grote jongens waarin ik een soort spion speelde, ik kocht me toen zelfs zo'n gleufhoed om het nog echter te doen lijken, maar durfde die uiteindelijk niet op te zetten omdat het, zo zei mijn vader, al te belachelijk was. Maar wat ik zeggen wil: mij werd nooit een naam meegedeeld, nooit kreeg ik een gezicht te zien, ook Ronald heb ik niet meer weergezien. Ik las zijn naam in de krant toen hij in 1973 aangehouden werd, ik las aandachtig de berichten die het in 1975 uitvoerig over zijn veroordeling hadden en ik las in 1980 het korte berichtje dat zei dat hij vrijgelaten was. Nooit heb ik hem nog gehoord. ’t Zijn de wetmatigheden van de clandestiniteit meneer.
Daardoor komt het ook dat ik maar weinig over de interne keuken kan vertellen. Dat de Duitse kameraden in de kampen van de PLO opgeleid werden, was voor mij, net zoals voor u, niets meer dan een gerucht. Wat ik wel zeker weet is dat de organisatie vanuit de DDR financieel ondersteund werd. Ik heb dat gezien toen ik een pak biljetten uit een vuilnisbak moest opdiepen om het vervolgens in mijn tuin te begraven: een hele stapel dun, goedkoop papier, slecht gedrukt, waardeloos geld uit de DDR waarmee we hier niets hadden kunnen aanvangen. (In dat huis woon ik uiteraard al lang niet meer en soms vraag ik me af of dat geld daar nog altijd in de tuin begraven ligt, het enige bewijs van mijn betrokkenheid bij de Flandern.)
Kort daarna werd ik door de Belgische staat opgeroepen om mijn legerdienst te vervullen. Dat was in 1971. Ik werd bij de Luchtmacht ondergebracht. Na mijn opleiding kwam ik in een hoofdkwartier terecht, de kazerne de Hollain, middenin de stad Gent. Het was een oord met maar weinig dienstplichtigen, veelal jongens met een hogere schoolopleiding, die toch liever soldaat bleven dan zich op te geven voor de functie van Kandidaat Reserve Officier. Ik herinner me Marc Antrop die professor zou worden en Luc Van den Bossche die later minister werd. Er waren in dat hoofdkwartier weinig dienstplichtigen, maar des te meer officieren. Dat ik in datzelfde jaar ook door de Flandern opgeroepen werd, was dan ook geen toeval. Dat de mij toevertrouwde actie in de kazerne de Hollain zou plaatsgrijpen lag voor de hand, dat ik er alleen voor stond, eveneens: de eenling was geactiveerd!
Ik wilde Ronald bewijzen dat ik zijn vriendschap waard was en ik bracht geduldig alles in stelling om van die actie een succes te maken. Ik koos de plek waar ik me zou opstellen en zorgde voor een sleutel van het arsenaal, ik wist welk wapen ik moest kiezen, ik noteerde het reilen & zeilen van het doelwit, ik wist hoe ik moest toeslaan en ik bereidde mijn vluchtweg voor. In augustus 1971 bracht ik op de gevel van de universiteitsbibliotheek met kalk het afgesproken teken aan. De Flandern wist dat ik er klaar voor was.
Neen, ik ben niet teruggedeinsd. Toch hebt u in de krant nooit iets over die actie gelezen. De radio heeft er niet over bericht, de televisie heeft geen beelden vertoond. Dat heeft een reden, maar dat is voer voor weer een ander verhaal. Misschien vertel ik dat later nog wel eens, maar 't is geen verhaal om trots op te zijn.
Flor Vandekerckhove




woensdag 24 september 2014

Isaak Babel, een voorgevoel van de waarheid

Sinds ik, enige jaren geleden, A.L. Snijders ontdekt heb, ben ik een groot lezer van zeer korte verhalen geworden, een genre dat ik me inmiddels ook al schrijvend toegeëigend heb. Ik heb inmiddels veel schrijvers van dergelijke verhalen leren kennen, auteurs die sinds kort op de trein van het genre gesprongen zijn en andere die al tot de canon behoren, maar waarvan ikzelf niet wist dat ze zich daarmee onledig hielden, zoals bijvoorbeeld de Russische Jood Isaak Babel waarvan ik het verzameld werk zopas dichtgeklapt heb, een boek vol korte verhalen (hij schreef geen andere), sommige maar een bladzijde lang.
Babel komt bij mij op het rek te staan naast Lydia Davis en konsoorten, omdat hij qua verhalenlengte hun gelijke is. Maar daar houdt het wel op. Waar A.L. Snijders ons bijvoorbeeld op een aangename manier onderhoudt over een rustige fietstocht rond zijn hoeve, een uitstapje waarop er niet echt iets gebeurt, en waar David Sedaris ons een kijkje geeft in zijn vrolijk geschifte universum, gaat het er bij Babel wel anders aan toe:  ‘Prisjtsjepa ging van de ene buurman naar de andere en zijn schoenzolen lieten een spoor van bloed achter.’  Of Babel vertelt over een vrouw die ’s avonds door zes Kozakken wordt verkracht en de daaropvolgende morgen de was doet: De benen van het meisje, dik, steenrood, bolrond opgezet, roken weezoet, als pas gesneden vlees. En ik had de indruk dat van haar maagdelijkheid van gisteren alleen haar wangen over waren, die meer gloeiden dan anders, en haar neergeslagen ogen.’ De passage levert een goed voorbeeld van wat ene Shklovsky over de auteur zegt: 'Babel's principe device is to speak in the same tone of voice of the stars above and of gonorrhea.'
Wie wil begrijpen waarom het er in Syrië zo wreed aan toegaat, moet Isaak Babel lezen: het is de burgeroorlog die dat met mensen doet ! Hij vertelt over een Kozak die de kant van de communisten gekozen heeft. De wraak van de Witten is enorm: ze vermoorden zijn beide ouders. De buren maken er gebruik van om zich de bezittingen van dat gezin toe te eigenen. Maar de oorlogskansen keren en het dorp komt weer in handen van de Roden: ‘In alle hutten, waarin de Kozak voorwerpen aantrof die aan zijn moeder hadden toebehoord, of een pijp die van zijn vader was geweest, liet hij met messteken doorboorde oude vrouwen achter, boven de waterput opgehangen honden en met uitwerpselen besmeurde heiligenbeelden.’
In de secundaire literatuur die ik over Babel verzameld heb, vind ik nogal wat meningen van mensen die in Babels verhalen vooral een kritiek op het communisme zien. Ik heb dat in zijn werk niet gevonden. Babel is wat Trotski een 'fellow traveler' noemt, een schrijver die, zonder zelf een communist te zijn, zijn steentje bijdraagt tot de nieuwe maatschappij. Dat steentje bestaat er juist in dat hij ons concreet menselijk gedrag toont. Babel probeert de wreedheid van de burgeroorlog op een literaire manier te beschrijven en bij uitbreiding: de wreedheid die met het uitoefenen van macht gepaard gaat.
Babel is voor geëngageerde schrijvers een ijkpunt. Ja, hij is geëngageerd, want het is als een 'embedded journalist' dat hij, samen met die rode ruiterij ten oorlog trekt. In de manier waarop hij daar vervolgens over schrijft maakt hij voor ons het onderscheid zichtbaar tussen kunst en propaganda, tussen literatuur en kitsch, tussen engagement en sentimentaliteit.  Hij leert ons het allerbelangrijkste wat een schrijver mijns inziens moet weten: dat engagement en integriteit wel degelijk samen gaan. In die zelfgekozen schrijversopdracht slaagt hij ook meesterlijk. Diens collega Paustovsky noemt hem dan ook 'de eerste echte Sovjetschrijver'. Dat betekent dan weer niet dat iedereen zijn werk daar apprecieert. Semyon Budenny, een generaal van die rode ruiterij, noemt het werk ‘laster’ en ‘praat van ouwe wijven’, maar Babel denkt daar uiteraard anders over: ‘ik heb gegeven wat ik bij Budenny gezien heb.’ Maxim Gorki, de literaire paus van het revolutionaire Rusland, houdt hem gelukkig de hand boven het hoofd en het boek De rode ruiterij wordt een groot succes. De controverse laait later weer op, maar Babel wordt ook dan nog door Gorki gesteund. Stalin beslecht de zaak: ‘De rode ruiterij is zo slecht niet. Het is een zeer goed boek.’ De critici zwijgen.
Het leven in de Sovjet-Unie is geen lachertje en de echtgenote van Babel heeft het land verlaten om zich in Frankrijk te vestigen. Er is reden om te geloven dat Babel, die zijn vrouw daar verschillende keren bezoekt, eveneens van plan is om in Frankrijk te blijven. Hij schrijft er een scenario dat een filmversie van De rode ruiterij moet opleveren, maar wanneer hij op zijn artistieke integriteit blijkt te staan en weigert om veranderingen aan te brengen, wordt hij niet betaald. Het is niet alleen Rusland dat zijn schrijvers graag in de pas ziet lopen. Hoe dan ook, Babel vindt in de markteconomie geen inkomen en hij keert terug naar huis waar het stalinistische net hoe langer hoe meer dichtgetrokken wordt, ook rond hem. Op 15 mei 1939 wordt hij er officieel van verdacht lid te zijn van een trotskistische terroristische organisatie en wordt hij beschuldigd van spionageactiviteiten ten voordele van Frankrijk en Oostenrijk. Hij wordt op 27 januari 1940 gefusilleerd.
Alle verhalen van Babel… Ik heb dat boek nu dichtgeklapt en kan geen beter einde voor dit stukje bedenken dan de woorden waarmee die schrijver z’n wondermooie verhaal Guy de Maupassant afsluit: ‘Ik las het boek tot de laatste bladzijde uit en stond op. De mist was tot aan het raam gestegen en sloot de hele wereld af. Mijn hart kromp ineen. Een voorgevoel van de waarheid had mij aangeraakt.’
Flor Vandekerckhove
Isaak Babel, Alle verhalen. Meulenhoff, A'dam. 2001. 573 ps.

maandag 22 september 2014

Dieren in marxistische nesten

— Trotski voert zijn konijnen in Coyoanan (Mexico) —
Het internet brengt je al eens op plekken waar je anders nooit zou komen, bijvoorbeeld op de stek van de Los Angeles Review of Books. Daar lees je dan het soort essay dat je anders nooit zou lezen, over iets wat de food movement heet, meer bepaald over een protagonist van die beweging die meent dat je alleen vlees mag eten van beesten die je zelf gedood hebt.
Doordat ik niet langer Het Visserijblad uitgeef, is dat niet meteen een onderwerp waarover ikzelf nog iets te melden heb… tot wanneer mijn oog valt op ‘an unacknowledged fellow traveler of the food movement: the young humanist Karl Marx’, die, zo stelt de auteur, ook een voorstander is van de eetgewoonte waarbij je eerst gewapend de stad intrekt om onderweg pakweg een struisvogel om te leggen: [Marx] urged that a free person should be able to “hunt in the morning, fish in the afternoon, rear cattle in the evening, criticise after dinner […] without ever becoming a hunter, fisherman, herdsman or critic” (…) Het is een bekende passage waarin Marx het over de arbeidsdeling heeft die opgeheven wordt in het communisme. (*) En neen, dit heeft niets met enige food movement te maken en nog minder met een vermeende verdediging van de jacht.
Maar het herinnert mij wel aan een foto van Trotski naast een aantal konijnenkoten. Ik ga ernaar op zoek en kom zodoende terecht bij een Amerikaanse medemens die zich de Rustbelt Radical noemt, een revolutionair èn humorist, voorwaar een zeldzame combinatie, en dus behorend tot een te koesteren soort. Dat hij een humorist is mag blijken uit een stukje waarin hij de stelling verdedigt dat trotskisten kattenmensen zijn en maoïsten hondenmensen. Ik ga dat hier niet beginnen uitleggen, je moet zelf maar eens kijken. (**) Het is natuurlijk ook onzin, maar het is wel waar dat er een boek bestaat over Trotski’s moordenaar Ramón Mercader die in de titel ervan vernoemd wordt als The Man Who Loved Dogs (het boek is van de Cubaanse schrijver Leonardo Padura en dus niet te verwarren met De vrouw die de honden te eten gaf van Kristien Hemmerechts). Of Trotski van de weeromstuit een kattenmens genoemd mag worden, betwijfel ik dan weer, want hij had, toen hij in Frankrijk woonde, twee honden, net zoals zijn moordenaar later in Cuba twee honden uit te laten had, althans volgens dat boek. Lenin daarentegen was heel zeker een kattenmens, dat wordt in veel foto's aangetoond. Helaas bieden die geen uitsluitsel in de prangende kwestie die de Radical uit het roestige Amerika opwerpt, want zowel de maoïsten als de trotskisten beroepen zich à volonté op deze dierenvriend. 
Allemaal goed & wel, maar de foto van Trotski en zijn konijnenkoten heb ik bij deze sympathieke Rustbelt Radical toch niet kunnen vinden. Ik vond die gelukkig wel een op een andere website die zich — een mens gelooft zijn ogen niet — Fuck yeah Trotsky laat noemen. (***)
Flor Vandekerckhove

(*) De passage uit De Duitse ideologie is in zijn geheel te lezen, weliswaar in een hakkelend Nederlands, in http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1845/duitse_ideologie/

vrijdag 19 september 2014

Omnibus

Ze waren dat niet gewoon die twee, om zo intens te werken, zo hard in zo’n korte tijd. Daarvoor duurde de winter te lang, de herfst en de lente; al die uren, al die dagen, al die maanden waarin er niets te verdienen viel omdat er geen volk was en dus niets te doen; daarvoor duurde het zomerseizoen te kort, de tijd dat het in onze straat stroomde van ’t volk, hooguit twee maanden, eigenlijk maar een.
Mijn moeder kwam de winkel dan niet uit, daarvoor had ze de tijd niet. Ik zat in de woonkamer, van die winkel gescheiden door een deur waarachter ik haar kon horen boeren, telkens die weerkomende, langgerekte donder die uit haar verzuurde maag omhoog kroop als een dreigend onweer dat rommelend aanzwol om uiteindelijk in de klankkast van haar mond een ronde dondervorm te krijgen; een verzetsdaad waarmee ze haar ergernis kon uiten zonder die te moeten uitspreken. Ik schaamde me er in haar plaats voor en probeerde er niet naar te luisteren, tevergeefs. Mijn vader liep voortdurend op en af, van ’t atelier via de woonkamer waar ik in de zetel zat, naar de winkel, steeds weer met verse waar om wat daar verkocht was weer aan te vullen, en terug, hoekig, met grote passen, flapperend met zijn werkschort, snuivend, wat evenmin te negeren viel. Zo ging het eraan toe bij ons, in juli en augustus, zeker op zondagen; hooguit acht, waarin het geld voor een heel jaar verdiend moest worden; eigenlijk maar vier.
Ik wist wat me te doen stond, want van die dagen hing alles af. Ik moest me stilhouden, het hun niet moeilijker maken dan het was, vooral niet in de weg lopen, want die weg was op den duur zo glad, van ’t afval dat aan vaders schoenen bleef plakken, bloed, vel en vet, kippenlevers, slachtafval uit ’t atelier, dat je erop had kunnen uitglijden, zelfs die weg viel niet te negeren. Ik zat in de zetel, vlak bij de tussendeur, waarachter mijn moeder stond te boeren, naast de glibberige weg die mijn vader snuivend afliep, waardoor ik ook telkens in de tocht van dat deurgat kwam te zitten en daardoor uit mijn verhaal gerukt werd omdat die tocht niet te negeren viel, evenmin als die twee, zij met haar gedonder en hij met zijn gesnuif, en dan was er nog die gladde weg vol slachtafval waarnaar ik steeds moest kijken.
Ik had mijn benen opgetrokken opdat hij ruim de plaats zou hebben om zijn schort en zijn benen te laten flapperen, en ik las, om mezelf stil te houden, in een ouwe omnibus met harde kaft, een verzameling van het weekblad Robbedoes, alle nummers van die jaargang gebundeld, wat enige concentratie vroeg omdat ik zo’n verhaal moest zien te volgen door op ’t einde van de aflevering, die soms maar een bladzijde lang was, naar het volgende nummer in die omnibus te bladeren, en daar weer de draad op te pakken. Ik moest dat doen zonder dat ik me onderweg liet afleiden door alles wat ik op mijn zoektocht in die bundel tegenkwam, tekeningen, verhalen, raadsels en hun oplossingen, dingen die ook moeilijk te negeren vielen, waardoor ik soms de draad verloor en moest terugbladeren om die weer te vinden, en toen hoorde ik mijn moeder weer boeren en vroeg ik me af wat de klanten daarvan dachten en daarna trok mijn vader snuivend de tussendeur open, zodat ik weer in de tocht van dat deurgat zat, en toen ik, gestoord in mijn lectuur, naar hem opkeek zag ik iets in zijn ogen wat ik daar nooit eerder gezien had, toch niet in die mate. Hij bleef wijdbeens voor me staan, snoof twee keer na elkaar, trok de omnibus bruusk uit mijn handen en scheurde heel dat dikke boek middendoor.
Flor Vandekerckhove



woensdag 17 september 2014

Herinneringen aan Frans-Vlaanderen

— Op mijn verlanglijstje stond een exemplaar van het dagblad
Rouge dat mijn Franse kameraden in die tijd uitgaven. —
Tot de gestaag groeiende lezersschare van deze blog behoort een dame die iets heeft met de Heilige Godelieve, een tragische figuur waarover ik eerder al een stukje publiceerde. (*) Nadat zij dat gelezen had, begon deze lezeres me lyrische mails te sturen betreffende de morzel grond die we gemeenzaam kennen als Frans-Vlaanderen, een streek die niet zover ligt van de plaats waar die Godelieve opgegroeid was. En waar ze trouwens weer heen vlood toen bleek dat haar Gistelse echtgenoot ze niet alle vijf op een rij had. Over dat komen & gaan schreef die dame een boekje dat ze toepasselijk ‘Het verhaal van Godelieve’ doopte en het is tijdens het veldwerk, dat met dat schrijven gepaard ging, dat ze haar hart aan die grensstreek verloor. Om een lang verhaal kort te maken: zij zou het op prijs stellen mocht ik eens iets over haar geliefde Frans-Vlaanderen schrijven.
Dat kan, want ik ken die streek nog uit de tijd dat we aan partnerruil deden, een gewoonte die we aan de sixties overgehouden hadden en waarvan we in de seventies, om begrijpelijke redenen, maar traag afstand namen. De ouderen zullen zich herinneren dat die seksuele praktijken veelal gepaard gingen met een fijne culturele uitstap, bijvoorbeeld een citytrip, kroegentocht, dansavond, museumbezoek of, in dit particuliere geval, een tocht door Frans-Vlaanderen. Zo fietsten wij gevieren — mijn echtgenote, ik en een koppel dat ongetwijfeld onbekend wenst te blijven — op een mooie voorjaarsdag over de schreve en verder kriskras door Broekburg, Hondschote, Steenvoorde, Grevelingen, Sint-Winoksbergen, Sint-Omaars, en wat weet ik nog allemaal, om uiteindelijk te stranden in Duinkerke waar we onze lusten in een hotel zouden botvieren.
Omdat ik in die tijd nog sterk politiek betrokken was — het ene sloot immers het andere niet uit, behalve bij de maoïsten — zocht ik daar eerst naar een krantenwinkel. Op mijn verlanglijstje stond onder andere een exemplaar van het dagblad Rouge dat mijn Franse kameraden in die tijd — met bitter weinig succes, hoeft het gezegd? — publiceerden. Op de Groote Plaats (Grand’Place) stond een krantenkiosk en ik vroeg de ouwe uitbater in mijn beste Frans of hij een exemplaar van dat extreemlinkse dagblad in huis had. Ja, dat had hij, wat me al verwonderde, maar wat me nog meer verwonderde was dat hij me die gazet als volgt overhandigde: ‘Ti e frank tachetig.’ Die mens sprak godverdomme beter Vlaams dan ik en bovendien sprak hij beter Frans! Je zult, denk ik, lang moeten zoeken om een anekdote te vinden die de Frans-Vlaamse situatie in dat gebied beter tekent.
Zo. Ik hoop dat ik hiermee tegemoetgekomen ben aan de wens van deze lezeres. Zelf wens ik er alleenlijk nog aan toe te voegen dat dit verhaal gebaseerd is op waar gebeurde feiten, waarvan ik er dan nog een aantal weglaat, juist omwille van de geloofwaardigheid. Zoals bijvoorbeeld dit. Op de terugweg naar het hotel werd ik vanuit een duistere portiek aangesproken door twee Frans-Vlaamse hoeren die mij spontaan hun diensten aanboden. Heel zeker weet ik het niet meer, want ik had onderweg al flink aan de frietzak gelurkt, maar ik denk dat ze zegden: ‘Ti voe te poepen’. Als om te beklemtonen dat ze daar echt Vlaams spreken, geen Nederlands.
Flor Vandekerckhove

(*) florsnieuweblog.blogspot.com/2014/08/langs-de-kapellekensbaan-iii.html


dinsdag 16 september 2014

De fiets en de kleine man

— Eddy Ronquetti, die het van 1966 tot 1977 uitgezongen
heeft, heb ik menig koers zien winnen. —
In die tijd was sport erg klassengebonden. Tennis was van de burgerij, voetbal spoorde met de wereld van de bedienden, wielrennen was de sport van de kleine man en de boksring hoorde toe aan het lompenproletariaat.
Zelf waren wij meer van de kleine man dan van wat anders. Het is dan ook geen toeval dat er in onze wijk een beroepsrenner woonde. Hij was onze held en menig jonge versie van de kleine man probeerde in zijn wielsporen te treden. Ik herinner me Robert Dekuyper waarvan men zei dat hij tijdens trainingen de halve kust, wind in de rug, afreed om daar op ’t einde de tram te nemen die hem, wind op kop, weer naar huis bracht. Neen, hij heeft er zijn beroep niet van gemaakt. Eddy Ronquetti, die het in 't peloton van 1966 tot 1977 uitgezongen heeft, heb ik menig koers zien winnen, maar ook hij heeft de overstap naar het beroep niet kunnen maken. Ik heb Arie (Henri?) Decoo aan ’t werk gezien, zelfs eens op de piste waaraan zijn pedaal bleef haken, waardoor Errie van boven tot helemaal beneden kwakte. En van Robert Devisch herinner ik me dat we al blij waren wanneer hij de koers in ’t peloton uitreed en niet erachter. Onze grootste teleurstelling betrof evenwel Norbert Olders. We waren erbij, Ivan Steen en ik, toen hij zijn eerste koers reed; we waren een beetje laat, want die wedstrijd werd diep in Vlaanderen betwist, maar we waren wel op tijd om de passage van het peloton na de eerste ronde mee te maken, waarin we Norbert helaas niet zagen omdat hij er al uit los gereden was. Iets wat ook in zijn tweede koers geschiedde. Exit Norbert Olders.
En gij, zo hoor ik u vragen, waarom hebt gij u nooit tot het wielrennen bekend? Wel, zo moet ik u antwoorden, dat komt in de eerste plaats door mijn fiets. Waarna ik u een stonde zal onderhouden over mijn frustraties dienaangaande.
De eerste herenfiets die ik de mijne mocht noemen, had mijn vader tweedehands in een verkoopzaal gekocht. Het was een oude fiets, wellicht te koop gesteld door een werkman die zich, in ’t zicht van zijn pensioen, een zetel wilde aanschaffen. De fiets oogde mannelijk, was lang & laag en de handvaten van het stuur wezen, zoals dat hoorde in die tijd, scherp naar beneden, zodat hij zeer geschikt was om door de wind te snijden. Het scherpe mannenzadel was door ’t langdurig gebruik helemaal uitgezakt, waardoor het dan weer niet meer in je reet kon snijden. Samengevat: de fiets sneed waar 't moest, had mannelijke charmes en zat mij als gegoten; ik had er zeker mijn mannetje mee gestaan in de wedstrijden die wij, straatjongens, onder elkaar organiseerden. Het was kortom een velo om van te houden. Daar dacht mijn moeder helaas anders over. Zij was ervan overtuigd dat die oude fiets het imago van ons gezin danig naar beneden haalde. Mijn vader gaf haar geen ongelijk (dat deed hij nooit) en mijn mening werd niet gevraagd (dat deed zij nooit).
Binnen de kortste keren stond me thuis een andere fiets op te wachten, een nieuwe. In die tijd bestond de Aldi niet, maar de fietsen die er nu verkocht worden, bestonden toen wel degelijk, want zo'n fiets was 't. Hij geleek in niets op de vorige. De oude had een mooie uitloop, de nieuwe stopte meteen waar je ophield met trappen. Hij was kort en hoog, had een vrouwenzadel en licht omhoog wijzende handvaten. Daar kon ik me in ’t racen alleen maar belachelijk mee maken, wat vervolgens ook gebeurd is. Van de weeromstuit ging ik me concentreren op de politiek, maar ook dat werd geen succes.
Flor Vandekerckhove

zondag 14 september 2014

Cora

— Ik wijs naar een kleine carrousel waarvan de polyester de
strijd tegen de natuur aan 't verliezen is —
Je slaat een verharde landweg in, tussen twee maïsvelden die je in deze tijd van het jaar het uitzicht op het omliggende landschap ontnemen, en wanneer je er weer uitkomt, heb je een grens overschreden, de taalgrens. Je ziet dat meteen, want op die plek, aan gene zijde van de maïs, waar je een drukke straat moet kruisen, is alles anders.
Daar staan we nu te kijken. Aan deze zijde van de straat ligt een ouwe boerderij. Een ondernemende medemens heeft die omgebouwd tot iets wat deerlijk mislukt is. Omdat niets zo leuk is als het bekijken van andermans mislukking maken we er foto’s van. Dat trekt de aandacht van een koppel dat aan de overkant woont.
Vlaams of Frans? Hun vraag is in dat grensgebied begrijpelijk. 
Ze zien eruit als ouwe hippies die een leven van de Franse slag te leven. Dat is hun trouwens ja en neen gelukt. Ja, ze wonen daar al vele jaren. Ten bewijze vertelt de man me over zijn hond die het op ’t erf veertien jaar uitgezongen heeft, daar waar zo’n beest elders maar tien jaar leeft. Het is een krachtig argument. Maar, neen, aan dat goede leven is nu helaas een einde gekomen: de hond is dood, de regen zuur, het gat in de ozon groot, het water stijgt, de grond vervuilt, we worden oud. 
Hij wijst naar de plek waar we de foto’s genomen hebben: Daar komt een shopping center, en zijn hippievrouw bevestigt. Ze heeft het over 40.000 vierkante meter winkels, boetieks, een drive-in, parkings en een hypermarkt van de keten Cora. 
Ze kijkt naar het trieste, half afgewerkte bouwwerk aan de overkant. Ik zie tranen in haar ogen. Een groot succes is ’t blijkbaar niet, zeg ik in een goedkope poging om haar te troosten, en ik wijs naar een kleine carrousel waarvan het polyester de strijd tegen de natuur aan ’t verliezen is. Toch komt dat winkelcentrum er, zegt de man. Zijn antwoord wordt aangevuld met enige beschouwingen betreffende ons staatsbestel. Ik onthoud eruit dat België het meest corrupte land ter wereld is en dat alhier toestanden voorkomen die eertijds alleen maar in Albanië bestonden. 
Kortom: het wordt weer eens tijd om verder te trekkenDe hippievrouw begrijpt dat wel en ook de man zal ons niet langer ophouden. Terwijl we handen schudden krijg ik het koud. Dat is het moment waarop het me duidelijk wordt: de man gelijkt op Theodore Kaczynski, aka de unabomber, die destijds bombrieven rondstuurde om te protesteren tegen de grootschaligheid… die aan de overkant van deze straat Cora zal heten. 
Flor Vandekerckhove

donderdag 11 september 2014

De dood van de onbekende schrijver Frank M.

Frank Moyaert (1963-2014)
Er is maar weinig kans dat u ooit iets van de Vlaamse schrijver Frank Moyaert (1963-2014) gelezen hebt. Buiten de kringen van het antipostmodernistische tijdschrift Weirdo’s (oplage: 160) is hij wellicht weinig bekend, zo weinig dat zijn overlijden op 20 juli in de plaatselijke editie van Het Laatste Nieuws vermeld wordt als dat van Frank M.
Frank Moyaert? Nooit van gehoord. Maar een stukje dat ik eerder in deze blog geplaatst heb, onder de spetterende titel Guy van Hoof, een soort klassenbewustzijn, heeft enige correspondentie opgeleverd en het is tijdens dat over & weer geschrijf dat ik niet alleen Weirdo’s leer kennen, inclusief de erg sociaal geëngageerde (!) rubriek De hemel heeft geen dak die van Hoof daarin verzorgt, maar ook de mare verneem dat Frank Moyaert, die Weirdo’s destijds mee gesticht heeft, dodelijk ten val gekomen is.
Het Laatste Nieuws verwoordt het als volgt: Frank M., een 51-jarige bewoner van een appartementsgebouw in de Helenalei, is zondagochtend dodelijk ten val gekomen. De man die op de vijfde verdieping woonde, was via de achtergevel naar het appartement onder hem geklommen om daar elektriciteit van zijn buurman af te tappen.’ Elders blijkt dat de buurman eigenlijk een leegstaand appartement is, mèt elektriciteit.
Bij het stuk staat een foto van het flatgebouw dat ik herken als zijnde van het soort waarin men de verworpenen der aarde pleegt onder te brengen. Daar woont ook ene Aziz die de journalist het volgende toevertrouwt: Rond 10 uur werd ik wakker door gerommel buiten. Toen ik ging kijken zag ik iemand naar binnen klimmen op de vierde verdieping. Dit klinkt misschien gek, maar zulke dingen gebeuren in dit gebouw heel vaak. Ik keek er dus niet zo van op en ging weer naar binnen. Nog geen minuut later hoorde ik een klap. Ik zag iemand liggen op de garage. Ik heb onmiddellijk de hulpdiensten gebeld. Pas later had ik door dat het om Frank ging.’ U leest dat goed. De genaamde Frank M., 51 jaar, wordt zonder elektriciteit gezet, iets wat daar regelmatig met mensen gebeurt. En hij valt dood terwijl hij probeert stroom af te tappen. Langer moet dit verhaal niet worden, vind ik. Mocht deze blog een Amerikaanse rechtbankfilm zijn, dan zou ik er nog aan toevoegen: I rest my case.
Flor Vandekerckhove

Wie een proefexemplaar van Weirdo’s wenst toegestuurd te krijgen stuurt een bericht naar hubert.vaneygen@skynet.be.


dinsdag 9 september 2014

Geschiedenis van mijn duivenkot (I)

Hugo was een toffe kerel en hij is dat vandaag wellicht nog altijd, maar ik moet toch in de verleden tijd spreken, want dit verhaal begint ergens halverwege de vorige eeuw, wanneer Hugo bij ons thuis aan de deurbel trekt.
Of ik zin had om te fietsen. Wel ja, altijd, zeker met Hugo, want hij was, zoals gezegd, een toffe kerel. Toch zei ik neen. Wat Hugo danig verwonderde en mij nog meer. Maar ik zei neen omwille van een goede reden. Ik was mezelf op dat moment helemaal in een boek aan ’t verliezen. Het was een magische ervaring, nooit eerder beleefd, en ik wilde haar niet onderbreken omdat ik vreesde dat het dan voorgoed weg zou zijn. Ik had daarin gelijk, want magische momenten zijn, dat weet u ook wel, even vluchtig als zeldzaam.
Dat moment heeft mijn leven sterk bepaald. Het heeft van mij een lezer gemaakt, een soort lezer, het soort lezer dat voortdurend speurt naar dat ene boek dat er echt toe doet. Want dit is wat dat moment me geleerd heeft: zo’n boeken bestaan. Zo’n sublieme leeservaring zit helaas verborgen in een hoek waar je haar, zeker als kind, niet verwacht, je kiest ’t moment niet en evenmin het boek. In mijn geval had ik het liever anders gehad, want het boek was een slechte roman waarin Aster Berkhof op zoek gaat naar het dorp van zijn jeugd; een streekroman. Ik had het liever anders gehad, maar het is zoals het is: Isidoor, de antiheld uit dat boek met dezelfde titel, werd mijn grote voorbeeld.
Andere jongens hadden daarin meer geluk, zij namen echte helden tot voorbeeld: Zorro, Rik Van Looy, Robrecht Graaf van Vlaanderen, Don Camillo, Kuifje, Jan zonder Vrees, Piet Hein… Keuze te over, maar ik koos voor een landelijke kleinburger, een lagere bediende, een verzekeraar in bijberoep, een dorpeling.
‘Ge moogt de vijftig voorbij zijn, en Isidoor was ze een heel eind voorbij; ge moogt dertig jaar als boekhouder op een kantoor gewerkt hebben, en bij Isidoor waren het er vierendertig; ge moogt in die tussentijd een buik en een dubbele kin gekregen hebben, en die kin van Isidoor die kon tellen; ge moogt lid van de kerkfabriek, bestuurslid van de fanfare, en selectieheer van de voetbal zijn, en daar waren de beenhouwer en de architect geen beetje jaloers op; ge moogt een vrouw en vier kinderen hebben, en al die kinderen mogen de mazelen, de kinkhoest en de rodehond gehad hebben, en dat hadden die van Isidoor gehad, alle vier; ge moogt een oude kneut van een inwonende schoonzuster gehad hebben, die ge verplettert onder uw verachting, en dat deed Isidoor, uit de grond van zijn hart; ge moogt ook een meid hebben, die alles afluistert, en uw schoenen wegstopt, in plaats van ze te poetsen en dat deed ze, de geniepige kween; ge moogt daarenboven in publieke ruzie liggen met de oude gepensioneerde postmeester, die jaloers is, omdat gij een huis hebt, en hij niet, en die uit wraak altijd de gracht toestopt, waarlangs uw tuin moet afwateren, maar dat was iets, dat niet lang meer ging schoon staan; en ge moogt tenslotte iedere winter het flerecijn krijgen op regiem staan voor uw hoge bloeddruk, en heel het jaar door vallingen hebben om uw keel tot scheurens toe stuk te hoesten, en van hoesten gepraat, dat kon Isidoor; — het heeft allemaal niet het minste belang.
Als ge op zo’n zaterdagnamiddag gedaan hebt met uw werk, en ge stapt uit de bus, en ge kijkt naar dat stille dorp, waar ge als kind zijt opgegroeid, en waar ge altijd naar terugkeert als naar een veilige haven, en ge ziet die bekende huizen, die liggen te stoven in de zon, die stomp van een uitgebrande kerktoren, die in de druilerige stilte staat te soezen, die warme zandwegen, die links en rechts van de steenweg tussen de goudgele, broeiend hete korenvelden verdwijnen, die donkergroene dennenbossen en elzenkanten in de verte, die trillen in de laaiende hitte en die blauwe lucht tenslotte, die alles overkoepelt, en waarin de zon als een grote, witte diamant hangt te gloeien: als ge dat allemaal ziet, en ge denkt daarbij: ik heb een schoon huis, helemaal van mij, en daar kan niemand mij uitzetten, dan moogt ge zijn wie ge wilt, ge trekt uw schouders achteruit, ge ademt zo diep, dat uw borst er krachtig van opengaat, en uw hart, dat sinds dertig jaar vecht tegen verschrompeling en verdorring, begint triomfantelijk te bonzen, zo heftig, dat ge nadien een hele tijd de ogen moet sluiten, om van de duizeligheid te bekomen.’
Dat vond ik mooi geschreven en dat vind ik vandaag nog altijd. Maar nu ik dat boek helemaal herlezen heb, weet ik ook dat het de mooiste bladzijden zijn van een voor de rest slecht boek. Hoe dan ook, Ik was tien toen ik die woorden voor het eerst las en ik had mijn grote voorbeeld gevonden. Ik wilde Isidoor worden. Dat ik dat wilde bereiken door duiven te kweken is merkwaardig, want Isidoor was zelf geen duivenmelker, zo lees ik nu tot mijn verwondering. Hij was een boekhouder en een verzekeringsagent, bezigheden die mij dan weer geenszins aantrokken wegens te weinig avontuur. De duivenmelkerij daarentegen…
Flor Vandekerckhove

Aster Berkhof. Isidoor. (1951)  Derde druk. Hasselt, Uitg. Heideland. 1963. 289 ps.

[Het vervolg vind je in het hieronder staande stukje Geschiedenis van mijn duivenkot (II)]


Geschiedenis van mijn duivenkot (II)

— Isaak Babel (1894-1940) —
Was ik dan toch beter met Hugo gaan fietsen? Het is een vraag die vandaag niet meer te beantwoorden valt, want wie weet hoe de dingen dan vergaan zouden zijn. Hugo had bijvoorbeeld twee zusters, om maar dat te zeggen. Maar ik ben niet gaan fietsen, ik heb het boek van Aster Berkhof uitgelezen en dat heeft er dan weer toe geleid dat ik later geprobeerd heb, verschillende keren zelfs, om een duiventil te organiseren. Allemaal verloren moeite, want het ideaal dat Isidoor heet, bleek onbereikbaar te zijn. Dat te moeten ervaren is een van mijn grote nederlagen geweest en dat in te zien een grote levensles. De wereld van Isidoor is niet meer dan een idylle, een gelukkig en vreedzaam tafereel waarin al te eenvoudige mensen zich bewegen in een wereld die niet bestaat en evenmin heeft bestaan.
Ik ga mijn eigen duivenkotgeschiedenissen hier niet beschrijven, ik hou die verhalen apart, voor later, want ik wil hier iets anders zeggen. Wat zou er met me gebeurd zijn, zo vraag ik me heden af, mocht ik die dag niet Isidoor van Aster Berkhof gelezen hebben, maar De geschiedenis van mijn duiventil van Isaak Babel? Wat zou er gebeurd zijn mocht ik dat verhaal uit de bibliotheek gehaald hebben? Laat me de vraag anders stellen: wat is literatuur?
Misschien had ik dan die magische leeservaring niet gehad of misschien wel, maar er is weinig kans dat ik er ooit aan gedacht zou hebben de doodlopende weg van de duivenmelkerij in te slaan. Nochtans deelde de jonge Babel met mij de aandrang die Isidoor in me opgewekt had. Ook Isaak wilde duiven kweken: ‘Als kind wilde ik graag een duiventil hebben. Het is de vurigste wens van mijn leven geweest.’. Hij ging, net als ik dat later zou doen, tot de daad over, hij trok naar de markt om zijn eerste duiven te kopen en dit is wat er gebeurde:
‘Toen ik bij de oude man kwam, kocht ik meteen een paar kersenkleurige duiven met een prachtige, dikke staart en een paar tuimelaars en stopte ze in een zak die ik om mijn hals had hangen. Na die koop had ik nog veertig kopeken over, maar de oude man wilde me voor dat geld geen duivenpaar verkopen van de Krjoekowsoort. Die Krjoekow-duiven hadden mijn hart gestolen vanwege hun korte, korrelige en vriendelijke snavels. Veertig kopeken was de normale prijs voor zo’n paar, maar de duivenmelker had zijn prijs opgeslagen en keerde zijn gele gezicht van me af, dat gebrandmerkt was door mensenschuwe hartstochten van de vogelaar. Toen Iwan Nikodimytsj na een poos van loven en bieden zag dat er geen andere gegadigden waren, riep hij me bij zich terug.’ En dan sluit Babel deze paragraaf af met de merkwaardige zin: ‘Alles ging, zoals ik het gewenst had en alles ging slecht.’
Isaak Babel vermeldt in dat verhaal de datum: 20 oktober 1905. In de Wikipedia staat wat er in die dagen in Rusland aan ’t gebeuren is: Opgeschrikt door de revolutie ondertekende Tsaar Nicolaas II het Oktobermanifest (…). In het Oktobermanifest beloofde de Tsaar om een parlement (de Doema) in te stellen – met stemrecht voor de mannelijke arbeiders en boeren. Toen het manifest bekend werd op 18 oktober (o.s.) eindigde de staking. Er braken overal grote feesten uit, waaronder voor het Winterpaleis.
Het feest in Moskou werd aangevallen door monarchistische organisaties, die overal in het land een straatoorlog tegen de democraten begonnen. Deze groeperingen stonden bekend als de Zwarte Honderden. Zij liepen met patriottische vlaggen, religieuze iconen en kruizen een processie, wat gepaard ging met vernielingen en vaak ook met moordpartijen. De Zwarte Honderden voerden in de eerste twee weken na het Oktobermanifest meer dan 690 Jodenvervolgingen uit, met meer dan 3000 doden. Zij werden door het Tsaristische regime gefinancierd. Tsaar Nicolaas II liet in een brief aan zijn moeder op 27 oktober (o.s.) blijken dat hij blij was met de Jodenvervolgingen – niet omdat hij antisemiet was – maar omdat hij de Jodenvervolgingen beschouwde als een steunbetuiging aan zijn regime.’
Isaak Babel vertelt ons die context niet, maar we beleven wel de pogrom. We zien de benden van de Zwarte Honderden optrekken: ‘Oude mannen met geverfde baarden droegen het portret van de tsaar, met de scheiding in zijn haar; kerkbanieren en heiligenbeelden deinden boven de stoet op en neer, verhitte oude vrouwen snelden voor de processie uit.’ En wanneer de jonge Babel, fel gehavend door de gebeurtenissen en zonder duiven, thuiskomt, wordt hij daar meteen geconfronteerd met de in de pogrom vermoorde Schojl, zijn grootvader, de man die het duivenhok voor zijn kleinzoon gemaakt heeft. ‘Het huis was leeg. De witte voordeur stond open, het gras bij de duiventil was platgetrapt.’ Wat Babel daar schrijft is dit: je kunt de wereld niet buiten houden en je kunt jezelf niet buiten de wereld houden. Ook niet als je tussen jezelf en de wereld een duivenkot probeert te zetten. Dat heb ik later zelf ondervonden, maar 'k had het al veel vlugger kunnen weten, ware er dat boek van Aster Berkhof niet geweest en dat van Isaak Babel wel.
Flor Vandekerckhove
Isaak Babel, Alle verhalen. Meulenhof, A'dam. 2001. 573 ps.   

vrijdag 5 september 2014

Weerhuisje

Mijn vader had een weerhuisje, zo'n minihuisje met twee deurtjes. Het werd bewoond door een koppel Duitsers uit het Zwarte Woud; een mannetje en een vrouwtje, in folkloristische klederdracht. Die twee woonden niet samen in dat huis, neen, ze woonden elk apart, zo apart dat ze zelfs hun eigen voordeur hadden. Ik denk dat de term Living Apart Together in die tijd uitgevonden werd.
Je zag dat koppel nooit eens samen. Bij zonnig weer kwam de vrouw buiten piepen, bij vochtig weer was het de beurt aan haar man. Dat was een goeie taakverdeling, want dat vrouwtje was licht gekleed en het mannetje had een paraplu.
Nu volgt enige uitleg over de werking van zo’n weerhuis, dat eigenlijk een hygrometer is. De figuren staan opgesteld aan ’t uiteinde van een plankje dat in 't midden opgehangen wordt aan een stukje schapendarm. Zo’n darm heeft de merkwaardige gewoonte om in elkaar te krullen bij droog weer en weer (in de betekenis van wederom) uit elkaar wanneer er vochtige lucht in ’t spel is. Mij zou het niet verwonderen als dat behulpzaam geweest is bij het in stand houden van de schapensoort, en wel van Altamira tot heden, maar wat belangrijker is: zo komt het ook dat die figuurtjes in en uit dat huisje draaien.
Mijn vader was erg met dat weerstationnetje in de heu… weer. Het stond naast zijn zetel op de vensterbank. ’s Morgens na ’t ontbijt dronk hij daar zijn koffie. Hij keek daarbij door ‘t raam en terwijl hij commentaar gaf bij het weer dat hij buiten ontwaarde, draaide hij aan de schoorsteen van dat huisje tot de juiste Duitser buitenstond. Voor mij was dat erg verwarrend. Mijn ouders zegden wel dat zo’n huisje het weer aanduidde, maar ik dacht dat het zoiets als sinterklaas was: kinderbedrog. Want als sinterklaas echt bestond, waarom hield hij dan zijn baard op met een wit lint? En als dat huisje uit zichzelf het weer aanduidde, waarom moest mijn vader er dan aan draaien?
Dat alles ben ik aan ‘t bedenken terwijl ik in mijn zetel zit en naar het weerhuisje kijk dat ik mij gisteren aangeschaft heb. Het vertedert me, want ik ben haast zeker dat het krek hetzelfde is als dat van mijn ouders. Het staat naast mij op de vensterbank. Ik kijk naar buiten en zie dat ‘t pijpenstelen regent. Ik draai aan de schoorsteen, en hopla, daar verschijnt het mannetje met zijn paraplu. Alles klopt nu, zowel binnen als buiten, alles is zoals het hoort, de regen en het paraplumannetje; ik ben één met het universum, het heelal baadt in een rustige zekerheid die je wellicht ook in 't Zwarte Woud aantreft. Waarna ik een wijle mijmer over het merkwaardige fenomeen waarbij een mens almaar meer op zijn ouders begint te lijken.
Flor Vandekerckhove


dinsdag 2 september 2014

Guy van Hoof, een soort klassenbewustzijn

Guy van Hoof
Hoeveel levende Vlaamse dichters ken ik? Hoeveel kan ik er uit het hoofd oplijsten? Ik doe de proef en blijf steken op acht. En dat terwijl er duizenden Vlamingen aan ’t dichten zijn. Overdrijf ik wanneer ik stel dat er tienduizend zijn die het voorbije kwarteeuw op een of andere manier poëzie gepubliceerd hebben? En daarvan kan ik er dus acht opnoemen. Een mens mag daar niet teveel over nadenken.
Toch was dat ’t eerste wat ik deed toen ik de omslag opende waarin twee boekjes zaten. Het eerste bevatte een essay dat Guy van Hoof schreef over Frank Decerf, het andere werd geschreven door Nicole Van Overstraeten en ging over de poëzie van Guy van Hoof. (1) Het eerste was me niet onbekend. Ik had daar destijds al iets over willen schrijven, maar dat draaide toen anders uit. (2) Over het andere ga ik nu iets zeggen.
Zelf begin ik hem nog maar pas te kennen, maar Guy van Hoof (°1943) is wel een dichter die al lang meedraait in… Ja, waarin eigenlijk? Hij begint te publiceren in 1972 en hij doet dat vandaag nog altijd. Niet zonder succes, want hij heeft, zo leert de flap me, her en der een prijs in de wacht gesleept en er is poëzie van hem vertaald in ’t Frans, Pools en Afrikaans. Voor iemand, zoals ik, die al blij is dat zijn boek tot in een Gentse boekwinkel geraakt, is dat indrukwekkend, zo indrukwekkend dat ik er een beetje argwaan bij krijg.
Ik blader door het essay en mijn oog blijft hangen aan een zin. Volgens Nicole Van Overstraeten heeft van Hoof ons onder andere ‘een sterke reeks sociaal geëngageerde gedichten gepresenteerd (…)’ Dat vind ik interessant. Ik wil weten of van Hoof een dichter is als Peter Holvoet-Hanssen die van hot naar her rent om poëzie aan de goede zaak te hechten. Is hij iemand zoals Charles Ducal die uitdrukkelijk kant kiest? Doet van Hoof dat ook, kant kiezen?
Misschien vindt u dat ik ‘s mans poëzie op die manier al te eenzijdig belicht en wellicht hebt u daarin gelijk, want ik zit momenteel heel diep in een boek van Raymond Williams (3) en het wemelt in mijn hoofd van ‘alignment’ en ‘commitment’, termen die ongetwijfeld mijn lezing van dit essay kleuren. Maar Nicole Van Overstraeten gaat zelf ook naar dat engagement op zoek: ‘[V]ind ik sporen van een soort ‘klassebewustzijn’ terug in zijn gedichten (…) weet ik, als ik zijn gedichten lees, of Guy van Hoof zich aan de rechterzijde of de linkerzijde van het politieke landschap bevindt?’
Laat het ons bekijken. In ‘Beschaving’ klaagt de dichter over ‘het journaal / de denkprogramma’s / en de magazines: business / as usual’. In ‘Grenzen’ zijn het onze nationale drugs die de verdoving veroorzaken: ‘drink je lazarus met dit / rook je dood met dat’. In een derde citaat stelt de dichter dat de dingen ‘ondoorgrondelijk’ zijn, dat er ‘geen echo van de waarheid’ te horen valt. Op het eerste gezicht ventileert van Hoof in die gedichten een vervreemd bewustzijn dat ons in de richting van de heden alomtegenwoordige middenklasse laat kijken: men drinkt een glas, men doet een plas, en nadat de lichtbak uitgeschakeld is… schrijft men een gedicht over de menselijke onmacht. Is dat de kant die van Hoof kiest? Misschien wel. Van Overstraeten ontdekt die middenklassenpositie ook in het leven van deze dichter. Hij zou ‘geen extreem vlaams nationalist’ zijn (?), ze vernoemt ‘zijn diplomatische, discrete maatschappelijke opstelling’. Voor mijn geestesoog verschijnt een oude winkelier uit Antwerpen Noord, een medemens die zijn wijk te veel heeft zien veranderen om nog boude uitspraken te doen; een kruidenier die zegt: ‘Mijn winkeltje overstijgt de dagelijkse en lokale uitgangspunten.’ Waar hij nochtans middenin staat.
Van deze auteur ken ik alleen de gedichten die in dit boekje staan. Ik moet dus oppassen, want zo’n essay verheldert misschien alleen maar het klassenbewustzijn van de essayist. Toch vind ik die 'middenklassenpositie' ook weer in de verdacht lange bladzijde die in de Wikipedia aan van Hoof gewijd wordt: Van Hoof verwoordt als autobiografisch dichter zijn twijfel om zich weerbaar op te stellen. Daarom probeert hij de om-wereld te ordenen om er vat op te krijgen. Dat ordenen brengt rust en is de kracht van zijn dichtkunst.’ (4) Waarom moet ik nu eigenlijk opeens aan yoga, welness en mindfulness peinzen?
Ik haal een boek van Joris Note uit de kast: ‘De avondlijke vermoeidheid van wie hard gewerkt heeft, de behoefte aan verstrooiing van wie te lang met hetzelfde bezig was, de nood om de zorgen even te vergeten…: dat is allemaal heel respectabel’, en Note sluit zijn zin af met het even venijnige als onverwachte, ‘en literatuur is niet geschikt om eraan tegemoet te komen.’ (5)
Misschien zijn Guy en Nicole de mening toegedaan dat Joris Note verleden tijd is, maar daar denk ik dan toch anders over. Uiteraard leven we, zoals Van Overstraeten opmerkt, niet in dezelfde wereld als voorheen. Uiteraard levert elke tijd weer andere beperkingen op, maar elke tijd opent tegelijk ook mogelijkheden en stelt de auteur bijgevolg voor keuzen. Zich als schrijver engageren betekent juist dat je in die concrete omstandigheden streeft naar een productie, naar vormen, stijl en inhoud die de nieuwe beperkingen overstijgen en daardoor opheffen. Schrijvers, zegt Note, ‘moeten bereid zijn tot het ondergraven van het hele complex van opvattingen en gevoelens waarin ze zelf thuishoren en wellicht floreren.’ Ja, zo lees ik ze graag, de schrijvers.
Zeg ik nu dat Guy van Hoof zich moet engageren, of zich elders, anders, harder moet engageren? Bah neen, een dichter moet niets, helemaal niets, maar achter elk non-engagement duikt toch een klassenpositie op, daar valt niet aan te ontsnappen. Ook niet door de dichter die zegt: ‘wat weten we over dit leven / geroemd en beschreven, voorzien van / of volgepropt met hitsige heiligen / en van hoogmoed bezeten helden?’ Het klinkt als een retorische vraag, maar ik antwoord toch. Schrijvers weten veel, zeer veel over het leven. Zij weten bijvoorbeeld dat een ander leven mogelijk is. Dat is namelijk wat ze doen: ze schrijven een ander leven. Als ze dat ernstig menen/nemen, dan kan het haast niet anders dan dat ze op hun schrijverspad de weg van activisten kruisen, want dat zijn degenen die juist een ander leven betrachten. Schrijven is op dat kruispunt met betrachten niet langer de 'druppel op een hete plaat', zoals Van Overstraeten het in dat essay stelt, schrijven maakt dan deel uit van de hete plaat.
Flor Vandekerckhove



(1) Guy van Hoof. De trage zandloper van het geluk. Over het literaire werk van Frank Decerf. Torhout, 2013. ISBN 9789491443039. — Nicole Van Overstraeten. De dagen zijn huiveringwekkend mooi. Over de poëzie van Guy van Hoof. Torhout, 2012. ISBN 978-94-91443-00-8.
(2) Jeroen Brouwers, Robert Walser en de auteur uit een nabijgelegen stad. In De Laatste Vuurtorenwachter: http://florsnieuweblog.blogspot.be/2014/02/jeroen-brouwers-robert-walser-en-de.html
(3) Raymond Williams. Marxism and Literature. 1977. Oxford University Press. Het hele boek is gratis in PdF te downloaden van http://mykelandrada.files.wordpress.com/2011/06/raymond-williams-marxism-and-literature.pdf
(4) http://nl.wikipedia.org/wiki/Guy_van_Hoof
(5) Joris Note, Wonderlijke wapens. Essays over literatuur en politiek. De Bezige Bij, 258 blz., ISBN 9789023473985, p.257. Ik schreef vroeger al een stukje over dat boek: http://florsnieuweblog.blogspot.be/2013/03/joris-note-of-lees-eens-iets-anders.html