donderdag 20 juli 2017

Laatste avondmaal in Casino-Duinhof

— In 1958 begon de Vlaamse charmezanger Henk De Bruin het casino van Bredene uit te baten. Hij noemde het Casino-Duinhof. — 

Naast mij zat een IJslandvaarder die nog met Hugo Claus gedobbeld had toen die negentien was en in Oostende op het hoogste verdiep van het Hotel de Londres sliep. Terwijl hij zijn vlees aan stukken reet zei hij: ‘De eindtijd is aangebroken.’ En met zijn tanden trok hij nog een stuk varken uit de homp.
De visser uitte op die manier wat wij allemaal wisten: het casino van Bredene had zijn beste tijd gehad. En nu Henk De Bruin er ook de brui aan gaf…
Koelkasten, voorraadkamers, kelders en opbergrekken van het etablissement waren leeggehaald en al wat daar stond was klaargemaakt en op tafel gezet. Frieten en kroketten. Bergen gekookte aardappelen en vlees van soorten. Mayonaise à volonté. Kazen, taarten, soep en borrelhapjes; alles door elkaar. Ik liet mijn blik over de tafel glijden. In de verte zag ik ook sla staan en da’s — zo dacht ik meteen, maar waar haalde ik het? — gezond om te eten, er zijn veel bekende atleten die enkel leven van sla. Bovendien was er ook knolraap & lof, schorseneren & prei.
Aan de overkant van de tafel stond iemand op. Hij liet een boer en zei met luide stem: ‘Wie er wil uitzien als Marlon Brando is ijdel. We gaan ons gewoon dood vreten.’ Wat merkwaardig is, want die woorden komen uit de film La grande bouffe en die was toen nog niet gemaakt. Waaruit blijkt dat er wel degelijk magie in de lucht zat toen we ons allemaal, groot & klein, arm & rijk, in het casino verenigd hadden om Henk De Bruin uit te wuiven.
Ik keek naar de graaiende handen van mijn disgenoten. Al het voedsel stond niet alleen door elkaar gepresenteerd, het werd ook door elkaar gegeten. En al dat eten werd met sloten drank doorgespoeld.
Dat kon niet blijven duren. De aardappelen werden koud, het vlees schaars en de drank geraakte op.
De vreetpartij liet een slagveld achter. Er waren er zelfs die met het hoofd op tafel, in hun eigen kots, in slaap gevallen waren. De grens van de wansmaak was daarmee fors overschreden. Ik stond op, verwijderde me van de dis en ging naar buiten.
Daar stond Henk De Bruin. ‘Hoe gaat ’t daar binnen?’ vroeg hij me.
‘Ze gaan je afscheidsdiner niet gauw vergeten,’ antwoordde ik naar waarheid. 
Daar was hij blij om, zei hij, anders bleef al dat eten daar toch maar staan. ‘Ik moet je nog iets vragen’, zei hij vervolgens.
‘Henk,’ antwoordde ik, ‘laat maar komen, je weet dat je op mij kunt rekenen.’
‘Je moet me beloven,’ zei hij, ‘dat je hier ooit een verhaal over schrijft.’
Ik wilde nog vragen welk verhaal zijn voorkeur had, maar dat ging niet, want Henk De Bruin haastte zich plotsklaps naar de Avenue le Grand, waar de 4 aankwam die hem voorgoed uit Bredene weg zou voeren.
Als enige was ik getuige van dit historisch moment. Ik kreeg er koude rillingen van en wuifde Henk na tot de bus achter de Groenendijk verdwenen was. Daarna ging ik weer naar binnen om nog een toetje te eten. 
Bijna zestig jaar later postte ik dit verhaal in deze blog. Belofte ingelost!
Flor Vandekerckhove



woensdag 19 juli 2017

In memoriam George Romero

— George Romero (1940-2017) —
Op 16 juli is filmregisseur George Romeo overleden. in een stukje waarin ik het genre van de zombiefilm onderzoek heb ik die mens al bejubeld. In Over de lifestyle van zombies schrijf ik: ‘Regisseur George Romero brengt heel deze thematiek mooi in beeld in Land of the Dead (2005). Wie in dat land van de doden nog leeft doet dat in een streng bewaakte stad, genre Antwerpen tijdens veiligheidsfase 4+. De bewakers trekken zo nu en dan de door zombies bewoonde wereld in om conserven te halen, zodat de streng gecontroleerde middenklasse kan blijven consumeren.' 
'Romero’s film speelt zich af in zijn eigenste Pittsburgh, ooit het centrum van de Amerikaanse staalindustrie. Die bestaat daar nu niet meer. De stad is thans in handen van de kapitalist Kaufman (Dennis Hopper). De zombies proberen die stad wel op Kaufman te heroveren en ze worden daarin geleid door Big Daddy die nog altijd zijn overall draagt, een verwijzing naar de oorspronkelijke bewoners van Pittsburgh, die het verkeerde soort kleren dragen. (Wat in Amerika, zo weten we inmiddels, al voldoende is om overhoop geschoten te worden.)' 
'Over de verhouding tussen de filmbeelden en Pittsburgh zegt regisseur Romero dat de stad eertijds een bloeiende immigrantengemeenschap was. Het was, zo zegt hij in dat interview, een soort Amerikaanse droom, waarin weliswaar niemand besefte dat de arbeiders tweederangsburgers bleven. En, dit zegt hij ook: ‘it just so happens that it’s now a reflection of the entire country.’
Onlangs moest ik weer aan die film denken. Op 7-8 juli ging in Hamburg de zogenaamde G20 door, een bijeenkomst van leiders uit 19 industriële landen en de Europese Unie. Daar werd op straat hevig tegen geprotesteerd. Een groep activisten trok daarbij mijn volle aandacht. Zij hadden zich in zombies verkleed en trokken in kleine groepjes zwijgend en traag door de stad. Zo zullen we eindigen, luidde de boodschap, als we de machtigen der aarde verder hun gang laten gaan. Godver, dacht ik meteen, Romero’s zombies hebben het witte doek verlaten!

Flor Vandekerckhove

— Dit is geen beeld uit de zombiefilm Land of the Dead. Romero’s zombies hebben het witte doek verlaten.  — 

dinsdag 18 juli 2017

Jan Decreton: de zee, heel dikwijls de zee…


1. Ronny Billiauw, 2. Ronny David, 3. Georges Verleene, 4. Bernard Verhaeghe, 5. Marc Heddebauw, 6. Jacky Van Middelem,  7. Serge Schaut, 8. Filip Blomme, 9. Jan Decreton, 10. Ivan Schamp, 11. Edmond Vanrenterghem, 12. René Zonnekeyn, 13. Hubert Vlietinck, 14. Marc Brouckaert, 15. Leo De Wever, 16. Michel Boedt, 17. Paul Van Middelem, 18. Jean-Pierre Boentges, 19. Rik Bevernagie, 20. Jacques Croos, 21. Willy Deroo, 22. Jean Vandenbussche, 23. René Deweert, 24. Albert Driessen, 25. Eddy Despeghel. 26. Ronny Demey, 27. Julien Vereyck, 28. Rik Brouckmeersch, 29. Luc Van Hollebeke, 30. Johny Werbrouck, 31. Arnold Van Cap­pel, 32. Martin Neyrinck, 33. Dirk Kimpe, 34. Gerrit Van den Bon, 35. Roland Hillewaert, 36. Noël Soreyn. 37. Klastitularis Alfons Vandenbussche. Jan Decreton (9) stuurde me de namen door. Hij werd daarin ferm geholpen door Albert Driessen (24).

De tijd van toen! Zouden er veel zijn die daar naar terugverlangen? Ik denk het niet. En voor wat mezelf betreft: heel zeker niet. Met nostalgie heeft een stukje als dit bijgevolg niets te maken. Waarmee dan wel?
Met herinneringen natuurlijk. Wat zo’n stukje ook doet is vorm geven aan een kleine pretentie van me: ik kan daar iets moois van maken. En ten slotte is er nog dit. Over elk van die jongens valt gemakkelijk iets te vertellen dat waard is om neergepend te worden. Er moet alleen iemand zijn die het doet. En dan krijg je voor bovenstaande foto alleen al 37 verhalen. Tot zover deze kleine introductie die niet had misstaan in Van Altamira tot heden.
De foto toont ons de Vijfde Moderne van het college in Oostende, schooljaar 1962-63. Zelf maak ik geen deel van uit van die klas, maar ik herken wel enkele dorpsgenoten: Ronny David (2), Serge Schaut (7), Ivan Schamp (10), Leo De Wever (15), Jean-Pierre Boentges (18) en Jean Vandenbussche (22). Een aantal ervan — in rood — komen elders in de blog al eens ter sprake. Ook over Georges Verleene (3), René Deweert (23) en titularis Alfons Vandenbussche (37) heb ik eerder al iets geschreven.
Op 1 juli krijg ik post van de mij onbekende Jan Decreton: ‘Via via ontving ik je blog’, zo start dat briefje, en het vervolgt met een indrukwekkende opsomming van namen waarnaar ik op zoek ben. Decreton is er zelf een van en dat geldt ook voor bovenstaande foto. Hier draagt hij het nummer 9.
In de sixties woont Jan (°1948, Veurne) in De Panne, en daar is de visserij nooit veraf: Het Visserijblad was bij ons heilig. Het kwam thuis bij mijn grootvader, die reder was, en daarna kwam het bij mijn vader. Vooral de besommingen waren voor hen van belang. Ik heb er hier nog enkele liggen. Eigenlijk waren die cijfers onjuist, want er werd in de jaren 60-70 zeer veel in het zwart verkocht. Wanneer mijn vader thuiskwam en moeder vroeg hoeveel ze ‘gemaakt’ hadden noemde hij altijd twee cijfers…’
Ah, leer ze me kennen, de vissers!
— Jan Decreton. —
Jan Decreton kiest een andere levensweg. Die leidt hem naar Halle. Hoe dat gegaan is vind ik op het internet: ‘Als kind tekende hij veel en graag, dus zag hij voor zichzelf in die richting een toekomst. Maar de toelatingsproef in St. Lucas werd geen succes, het werd een voorbereidend jaar. Een geluk bij een teleurstelling, want zo ontdekte Jan de fotografie.’
Die woorden worden uitgesproken tijdens een vernissage. De directeur van kunstacademie van Halle gaat met pensioen en dat is daar uiteraard reden genoeg om een blik op ‘s mans oeuvre te werpen. Dat oeuvre bestaat uit foto’s en de directeur in kwestie is… Jan Decreton.
Wel wel. En dit is wat de inleider in het getoonde ziet: ‘De zee, heel dikwijls de zee, heel dikwijls het Noorden – zijn zoon woont trouwens in Noorwegen. En een trek naar IJsland, waar zijn voorvaderen gingen vissen in de meest barre omstandigheden. De zee, met de strakke lijn van de horizon, blijft een constante in zijn werk. Van de eerste pagina van zijn eindwerk in 1969 tot vandaag. Waar het beeld bijna abstract wordt, met een gedurfd lange belichtingstijd om alle details weg te werken en alleen die eeuwige horizon over te houden. (…) We hopen dat die inspiratie niet verflauwt, en dat we in de toekomst nog geregeld werk van Jan Decreton mogen tegenkomen.’
Ik surf verder en stoot hier op zijn website. Je moet er zelf maar eens naar kijken; intussen sluit ik dit stukje af met een punt.

Flor Vandekerckhove

zondag 16 juli 2017

De g-spot van de politiek

— Op 21 augustus 1940 wordt Leon Trotski op bevel van Stalin vermoord. —

Veel gebeurt het niet, want de meeste mensen kennen het woord niet eens, maar soms is er toch iemand die me, met ongeloof in de ogen, vraagt of het waar is dat ik een trotskist ben.
Wel, antwoord ik dan, zelf had ik het ook liever anders gehad, maar de feiten zijn wat ze zijn. En vervolgens vraag ik hun of ze de lange uitleg willen horen of de korte.
Altijd vragen ze de lange. Maar na drie uur, zie ik telkens weer, verslapt de aandacht toch. ’t Is beter om het kort te houden.
Trotskisme is bijlange niet mijn eerste keuze geweest. Er gaat een zoektocht aan vooraf. Van die sluier heb ik hier al een tipje opgelicht. Ooit ga ik het over nog andere lichtende paden hebben die ik schoorvoetend betreden heb, maar da’s voor later. Eerst dat trotskisme.
De Russische revolutionair Leon Trotski is zeker geen heilige. Het lijkt er evenmin op dat hij een aangename mens geweest is en hij heeft bedenkelijke politieke daden gepleegd, maar hij heeft ook een parcours doorlopen dat voortdurend de vraag opwerpt: is een ander socialisme mogelijk? Hij, en degenen die in zijn spoor getreden zijn, hebben de overheersende socialismen —sociaaldemocratie en stalinisme — in vraag gesteld. Dat is ook wat me tot dat trotskisme aangetrokken heeft: de belofte dat een ander socialisme mogelijk is.
Mocht de politiek van Trotski meer succes gekend hebben, zou het socialisme dan ook echt anders geweest zijn? Oei, daar kunnen we een ferm eind over weglullen, maar gelukkig is er ook een kort antwoord. In ‘t Frans luidt dat: Avec des si on mettrait Paris dans une bouteille. Ik zoek er een Nederlands equivalent voor en stoot op dit Antwerps: As ons kat eu koei was kongde ze melke onder de stoof.
‘t Is niet alleen lang geleden dat ik tot dat trotskisme toegetreden ben, ik ben er ook al eens lange tijd uit weggebleven. Over die uithuizigheid heb ik, daar, in 2011 al een stukje geschreven. Dat ik er uiteindelijk naar teruggekeerd ben heb ik, ginder, ook al beschreven. 
Er is in die tussentijd veel veranderd, uiteraard, maar sommige dingen zijn gebleven. Ook vandaag zijn er bijvoorbeeld bitter weinig mensen die denken dat een ander socialisme mogelijk is. De trotskisten gaan dat niet verhelpen, vrees ik, anders hadden ze dat al lang gedaan, maar het belet hen toch niet om er te blijven naar streven.
Vindt u dat een zinloze bezigheid? Misschien overtuigt mijn slot u wel. Laat het mijn bijdrage tot het debat zijn. Dat andere socialisme is mijns inziens een beetje als de g-spot. Het is niet omdat je alom hoort zeggen dat die niet bestaat dat je moet ophouden hem te benaderen hé. Wel dan!
Flor Vandekerckhove

donderdag 13 juli 2017

Avonturen in de Duinenstraat

Gisterenmorgen ga ik via de Duinenstraat van hier naar daar en onderweg wordt mijn oog getrokken door een mededeling. Aan een vensterraam hangt een papier waarop geschreven staat: Aandacht! Wie heeft er onze hortensia meegenomen?
Gisterenavond keer ik terug, van daar naar hier, en weer wordt mijn oog naar datzelfde raam getrokken. Daar hangt nu, halvelings boven het eerste, een tweede papier: De bloemen zijn terug. Bedankt. Aan de voordeur staat een hortensia.
Daar kunnen veel beschouwingen aan vastgeknoopt worden. Een ervan laat zich in een vraag samenvatten. Hoe lang loop ik nu al over en weer in die Duinenstraat?
Al stappend formuleer ik het antwoord. Ik passeer daar nu al meer dan zestig jaar. Ik overdrijf niet, want zestig jaar geleden ben ik acht en trek ik wekelijks, op zondag, van het nummer 296 — toen nog 206 — in die straat, waar de kiekenwinkel van mijn ouders is, naar de Noordzeestraat waar mijn mémé woont. Daarna keer ik via dezelfde weg terug naar huis.
U vraagt me of dat niet vervelend is, zestig jaar lang, over en weer in dezelfde straat.
Neen, antwoord ik, want in de Duinenstraat gebeurt altijd iets.
Da’s vreemd, antwoordt u dan weer, want u hebt, zegt u, stellig de indruk dat daar nooit iets gebeurt.
Dat is slechts schijn, zeg ik hoofdschuddend, dat komt doordat u niet goed oplet. En om dat te staven geef ik een voorbeeld.
Aan een ander raam in die straat heeft ooit een bord gehangen waarop staat: Motorhelm te koop. Ik spreek over de tijd dat daar nog een takszegel naast gekleefd moet worden en de mensen dat ook doen. Dat plakkaat blijft daar lang hangen. Geen zestig jaar natuurlijk, maar toch zeer lang.
Telkens ik daar passeer kijk ik naar de mededeling. De letters vervagen, het papier vergeelt, de hoeken krullen om. Niemand wil de helm. Ik krijg een baard, eerst dons, later stoppels. Niemand koopt de helm. Ik krijg verkering, treed in het huwelijk, maak kinderen, treed uit het huwelijk enzovoort. Niemand claimt de helm. Mijn haar wordt grijs, mijn kinderen krijgen kinderen, ik begin te krimpen en word een beetje doof. Niemand wil de helm.
Op den duur begin ik zoals u te denken: in die straat gebeurt nooit iets. Ik laat het hoofd hangen, klaag over het saaie leven dat ik leid en denk eraan meer avontuurlijke paden te betreden.
Weer passeer ik dat raam, maar nu met neerhangende schouders. Daar hangt nog steeds dat plakkaat, vergeeld, opgekruld, met de verbleekte takszegel, maar nu staat bovenop de oorspronkelijke, inmiddels vergane woorden, in frisse viltstiftletters: Postzegelverzameling te koop. Ik wil maar zeggen, als ge goed oplet…

Flor Vandekerckhove

woensdag 12 juli 2017

De kronieken van Bob Dylan

Het boek Chronicles: Volume One van Bob Dylan werd in 2004 al eens in ’t Nederlands uitgegeven, maar het viel te verwachten dat er een heruitgave zou komen toen Dylan de Nobelprijs toegewezen kreeg.
Ik heb dat boek uit de bib gehaald en er al een stukje uit gelezen. Het vraagt, zie ik, meer aandacht dan ik het nu kan geven. Morgen breng ik het naar de bib terug. Bedoeling is dat ik het er weer uit weghaal wanneer ik er de tijd voor heb. 
Het stukje dat ik hier post dient me tot geheugensteun. Want ik neem me voor om het boek op een welbepaalde manier te lezen. Mij interesseert het bijvoorbeeld om te weten hoe Dylan het ambacht van het liedjesschrijven onder de knie krijgt: ‘Ik kan niet zeggen wanneer het bij mij opkwam om mijn eigen liedjes te gaan schrijven. Ik kon zelf niks bedenken wat ook maar in de buurt kwam van de folkteksten die ik zong om uit te drukken hoe ik over de wereld dacht. Volgens mij overkomt het je geleidelijk. Je wordt niet op een dag wakker met het besluit liedjes te gaan schrijven, en helemaal niet als je er al een heleboel hebt en er elke dag nieuwe bij leert. Je krijgt op een gegeven moment misschien de kans om iets aan te passen, van iets wat al bestaat iets te maken wat er nog niet was. Dat kan een beginnetje zijn. Sommige dingen wil je gewoon op jouw manier doen, je wil zelf zien wat er achter dat mistgordijn ligt. Het is niet zo dat de liedjes naar je toe komen en dat je ze uitnodigt om binnen te komen. Zo gemakkelijk is het niet. Je wil liedjes schrijven die groter zijn dan het leven zelf. Je wil iets zeggen over de rare dingen die je overkomen, die je ziet. Je moet iets weten en iets begrijpen en dan het jargon links laten liggen. (…)’
Dit citaat wijst me er op dat Dylan het her en der in dat boek over het ambacht zal hebben. Ik blader verder en zie dat hij het in het laatste hoofdstuk over Bertolt Brecht en Kurt Weil heeft en over Pirate Jenny, een lied van hen beiden, een song uit de Driestuiversopera. Dat is wat daar op bladzijde 293 over staat: ‘Later heb ik het liedje proberen te demonteren, om te zien wat het geheim was, het mechaniek, waarom het zo effectief was.’ Bob Dylan is in de loop van dat boek een ambachtsman geworden!
Flor Vandekerckhove

Bob Dylan. Kronieken. Amsterdam Nijgh & Van Ditmar. 311 pp.

maandag 10 juli 2017

Belevenissen van een beeldhouwwerk


— 1. Charging Bull; 2. Fearless Girl; 3. Pissing Pug. —

Momenteel ben ik een boek aan ’t lezen dat door een gitarist geschreven werd. Ik zal daar nog op terugkomen, want deze schrijvende gitarist, Dave Rendall, is een geestesgenoot van me. Maar da’s voor later, want ik ben dat boek dus nog aan ‘t lezen.
Eerst dit. ‘Alle vormen van muziek’, zegt Rendall, ‘kunnen gebruikt worden als deel van een systeem van onderdrukking, maar ze kunnen ook deel uitmaken van het verhaal van onze bevrijding.’
Want Rendall daar over muziek beweert geldt voor alle kunst. Hij herinnert me er trouwens aan dat ik nog iets over de belevenissen van een beeldhouwwerk moet schrijven, wat ik een beetje uit het oog verloren was.
Het beeldhouwverhaal begint met iets wat guerrillakunst heet. Arturo di Modica plaatst op 15 december 1989 ongevraagd een 3200 kilo wegende bronzen sculptuur voor de ingang van de beurs in Wall Street, New York. Het werk heet Charging Bull en stelt inderdaad een stier voor die in de aanval gaat.
De stunt haalt de pers, maar het werk wordt daar meteen weggehaald. Het krijgt iets verder een plek toegewezen en is sindsdien een bezienswaardigheid, een eerbetoon aan het beurswezen, want een Bull Market is een bekende metafoor in die kringen.
Ik keer even terug naar bovenstaand citaat van kameraad Rendall. Hoe zou zo’n beeld ooit deel kunnen uitmaken van ‘het verhaal van onze bevrijding’? Toont het ons niet een bijzonder viriel, onverslaanbaar kapitalisme?
Ja, maar dat komt doordat het werk onaf is. We weten dat nog maar sinds kort, meer bepaald sinds 8 maart (Internationale Vrouwendag) 2017. Op die dag krijgt de stier, alweer onaangekondigd, gezelschap van een ander beeld. Nu betreft het een werk van Kristen Visbal en het heet Fearless Girl. Een klein, bronzen meisje kijkt de superstier uitdagend in de ogen. De stier krijgt een andere betekenis.
Helaas! Ook de twee samen kunnen nog geen ‘deel uitmaken van het verhaal van onze bevrijding’, want Fearless girl is een promotiestunt van een vermogensbeheerder die Vrouwendag misbruikt om de eigen winkel te promoten. Zowel de stier als het meisje leiden naar meer kapitalisme.
Van twee dingen één. Ofwel heeft Dave Rendall ongelijk en zien we hier een soort kunst dat geenszins deel kan uitmaken van onze bevrijding… Ofwel hebben we nog altijd te maken met iets wat onaf is.
Dat laatste blijkt ook de mening te zijn van weer een andere kunstenaar. Alex Gardega heeft op het einde van mei nog een derde beeld aan de groep toegevoegd, een beeld van een mopshond die tegen het been van de fearless girl urineert, waardoor we een geheel krijgen dat bestaat uit Charging Bull, Fearless Girl en… Pissing Pug.
Hiermee bereikt het kunstwerk eindelijk zijn voltooiing. De twee eerder geplaatste symbolen van het kapitalisme mogen eeuwigheidswaarde in brons claimen, nooit kunnen ze nog bekeken worden zonder dat je aan het — al na drie uur weer verwijderde! — papier-maché beeldje kunt denken dat al dat brons uitdaagt. In deze is het zoals de ouwe Hegel het al zei: das Wahre ist das Ganze.
Pissing Pug heeft de maker 25 dollar aan materiaal gekost. Na de actie stelt Gardega het, naar eigen zeggen, te koop voor 10 dollar. Daar kan de vermogensbeheerder van Fearless Girl niet tegenop, daar kan zelfs heel Wall Street van de Charging Bull niet tegenop. Waardoor de beelden, willens nillens, toch deel uitmaken van onze bevrijding.

Flor Vandekerckhove

zondag 9 juli 2017

Stalin in 1935: ‘Het leven is beter geworden, het leven is vrolijker geworden!’

— Joeri Pimenov (1903-1977), Nieuw Moskou (Olie op doek, 140 x 170 cm - 1937) —

In Alles voor het moederland (°) beschrijft Michel Krielaars uitgebreid een schilderij dat hij in Moskou in een galerie ontdekt. Het betreft een socialistisch realistisch werk uit 1937.
Kunstschilder Joeri Pimenov neemt ons mee in een cabriolet. We zitten op de achterbank van een wagen die door een jonge vrouw bestuurd wordt. We rijden over een brede avenue.
‘Het zou me niets verbazen als die vrouw op weg is naar een voorstelling in het Bolsjoj-theater. Pimenov schilderde tenslotte veel voor de theaterwereld en het Bolsjoj was een van zijn vaste opdrachtgevers. Moskou vormde in dat jaar bovendien het decor van een groots toneelstuk: de opbouw van een nieuwe wereld door de CPSU, de Communistische Partij van de Sovjet-Unie.’
En verder: ‘Op Pimenovs vrolijke doek is die verbeelding van de revolutionaire ideologie goed te zien. Recht voor de vrouw in de cabriolet rijst het nieuwe Gosplan-gebouw op, het beleidscentrum van de communistische planeconomie. Het overschaduwt het belendende Huis van de Vakbonden, dat gevestigd is in het vroegere paleis van de Adelsvereniging. Aan de gevel hangt een grote rode banier, om aan te geven dat aristocraten hier niets meer te zoeken hebben.’
— Pimenov gebruikt dit 'achterbankperspectief' wel meer. Al surfend
stoot ik op nog twee voorbeelden. Bovenaan: Weg aan de
frontlinie (1944). Onderaan: Nieuw Moskou uit 1960. —
‘Aan de overkant van de straat, op het Manege-plein, nadert het imposante hotel Moskou met zijn 1200 kamers zijn voltooiing. (…)’ — ‘De door Pimenov verbeelde rijweg is gevuld met een wirwar van auto’s, bussen en trams. De stad bruist. Iedereen is vrolijk. (…)’
‘Het in warme kleuren geschilderde tafereel straalt in alle opzichten welvaart en geluk uit. De vrouw achter het stuur, wier gezicht je niet kunt zien, vertegenwoordigt de nieuwe tijd van vrouwenemancipatie, van gelijkheid, vrijheid en broederschap, van het socialisme. En tegelijkertijd weet je dat slechts weinigen zich zo’n mooie auto (…) kunnen veroorloven. De vrouw moet dus wel deel uitmaken van de nieuwe elite. Misschien is ze de dochter van een kolchozvoorzitter, een partijleider of een fabrieksdirecteur. (…)’
Bijna honderd bladzijden verder heeft Krielaars het nog eens over dat schilderij. Maar nu zegt hij wat het beeld niet laat zien: ‘Toen Joeri Pimenov Het nieuwe Moskou voltooide, was de Stalinterreur al drie jaar bezig, al bereikte ze in 1937-1938 haar hoogtepunt. Zo zouden in 1937 alleen al bijna 40 000 inwoners van de Sovjethoofdstad met een nekschot in de kelders van de Loebjanka worden geëxecuteerd op grond van gefingeerde beschuldigingen van contrarevolutionaire activiteiten, landverraad en spionage. ’s Nachts stroomde het bloed uit de afvoerleidingen van het op een dijk staande voormalige verzekeringsgebouw in de riolen. Als je je leven niet in gevaar wilde brengen, kon je in die dagen beter niet in Moskou wonen en zorgde je er, zoals de schrijver Konstantin Paustovski, voor uit de buurt te blijven van het gevreesde hoofdkwartier van de geheime politie.
Op bladzijde 114 heeft Krielaars maar twee zinnen nodig om de synthese te maken: ‘Veel Sovjetburgers merkten weinig van de Grote Terreur, of deden alsof ze er niets van merkten. In de anderhalf jaar van de bloedige zuiveringen leefden ze als op het schilderij van Pimenov.’ Hij illustreert die synthese met het voorbeeld van een inmiddels overleden vriendin: ‘Van 1937 herinnerde ze zich vooral dat ze als jonge arts vaak uit dansen ging en dat ze zich veilig waande onder Stalins beschermende vleugels. (…) Als ze het over 1937 had, verscheen er bijna automatisch een opgewonden blik in haar ogen, waarmee ze haar immense dankbaarheid en respect voor Stalin leek te willen benadrukken.’
Het is iets wat vandaag maar moeilijk te begrijpen valt. Ik haal een ander boek uit de kast, een bundel met brieven die mijn lievelingsauteur Isaak Babel tussen 1925 en 1939 naar zijn moeder in Brussel stuurt. (°°) Op 7 januari 1936 bevindt hij zich in Moskou: ‘Ik maak op mijn gemak een rondje in de buurt — er ligt weinig sneeuw, het is zacht weer, een zachte winter. En om mij heen kolkt een zee van welvaart en vooruitgang, de bevolking van het Russische land maakt als tijgers een sprong naar voren…’ Drie jaar later wordt ook Babel vermoord.
Flor Vandekerckhove

(°) Michel Krielaars. Alles voor het moederland. De Stalinterreur ten tijde van Isaak Babel en Vasili Grossman. 2017. Uitg. Atlascontact. 344 pp.
(°°) Isaak Babel. Brieven naar Brussel 1925-1939. Mossault’s Uitgeverij Amsterdam. 1970. Vertaald uit het Russisch en ingeleid door Charles B. Timmer. 376 pp.



zaterdag 8 juli 2017

De dialectiek van Trotski en het borsthaar van Hemingway


— Leon Trotski, Max Eastman, Ernest Hemingway. —

Nu is het alweer een wijl geleden, maar van tijd tot tijd trek ik me terug in een hoekje van het wereldwijde web om daar in de vergeelde bladzijden van het beroemde Amerikaanse tijdschrift Partisan Review te bladeren.
In een nummer uit 1934, dat ook jij hier kunt inkijken, valt de naam Max Eastman, een auteur die, zo lees ik in dat tijdschrift, nogal wat controverse oproept.
Over zo'n mens wil ik dan iets meer weten en alzo verneem ik ook dat hij later een boek schrijft waarin hij herinneringen ophaalt aan Einstein, Trotski, Hemingway, Freud en nog andere historische figuren die hij goed gekend heeft.
Ik slaag er niet om dat boek via slinkse wegen te kapen en mijn computer binnen te smokkelen. Wel kan ik je de kaft tonen en ik vind ook enkele interessante passages. De ene gaat over de schrijver Ernest Hemingway, de andere betreft de Russische revolutionair Leon Trotski.
In 1932 bevindt Eastman zich in Prinkipo, ten huize van de uit de Rusland verbannen Trotski. Hij zal er twaalf dagen verblijven. Een kwarteeuw later zet Eastman zijn herinneringen te boek.
Eastman kiest de kant van Trotski in het conflict met Stalin, maar een trotskist mag je hem daarom niet noemen. Eastman is bijvoorbeeld de mening toegedaan dat het marxisme een verwerpelijk theologisch kantje heeft en dat de marxistische dialectiek nergens op slaat.
Daar moet je bij Trotski niet mee afkomen. Eastman: ‘(…) Terwijl we over dialectiek aan het discussiëren waren ontstond er grote spanning. Het bloed klopte in Trotski’s keel en hij liep rood aan; hij was razend.’
Eastman voelt zich beledigd door Trotski’s totale desinteresse in zijn opinies, interesses, en wat hij omschrijft als zijn ‘bestaan als een individu’. Menselijke tekortkomingen waaraan Eastman ferme politieke implicaties koppelt: ‘Het is, denk ik, doordat niemand zich door hem gewaardeerd voelt dat hij zo duidelijk tekortschiet als politiek leider. Net zomin als hij een huis zou kunnen bouwen kan hij een politieke partij uitbouwen. (…) Wanneer zijn volgelingen van een bezoek aan hem terugkeren blijken ze niet door hem aangevuurd te zijn, maar in de kou gezet en geremd.’
Uiteindelijk komt Eastman tot de conclusie dat het voor hem niet mogelijk is om een goed gesprek met Trotski te voeren. Hij gaat ervandoor. Trotski daarentegen is zich van geen kwaad bewust, want hij stelt Eastman nog voor om enkele maanden langer te blijven en samen te gaan vissen, iets wat ze beiden graag doen.
Nadat ik dat stuk gelezen heb kan ik alleen maar hopen dat het contact tussen Max Eastman en Ernest Hemingway minder problematisch zal verlopen. Dat blijkt niet het geval te zijn.
In 1933 verschijnt Bull in the Afternoon, waarin Eastman een kritiek formuleert op de praktijk van de stierengevechten, en vooral op de manier waarop Hemingway daarover schrijft. Op die manier over zo’n bloedvergieten schrijven, zegt Eastman, is als ‘het dragen van vals borsthaar’. Met deze spitsvondige vergelijking insinueert Eastman dat Hemingway zich al schrijvend mannelijker wil voordoen dan hij is.
Drie jaar later ontmoeten de twee elkaar bij hun uitgever. Hemingway trekt zijn hemd open en daagt Eastman uit om zijn borsthaar op echtheid te controleren. Het ene woord brengt het andere mee en er ontstaat een vechtpartij.
Dat gevecht krijgt veel persaandacht en dat geldt ook voor de vraag wie van de twee schrijvers het meeste borsthaar heeft. De meningen verschillen, maar een zaak staat vast: tijdens de schermutseling geeft Hemingway zijn tegenstander een mep met een boek. Dat beschadigde boek wordt nu bewaard aan de universiteit van Texas. Voorin staat een inscriptie van Hemingway: ‘Dit boek heb ik beschadigd door ermee op de neus van Max (de lul) Eastman te slaan. Ik hoop ten stelligste dat hij voor eeuwig wegrot in een hel die hij zelf delft.’

Flor Vandekerckhove