donderdag 29 juni 2017

Tijdverliezen op het internet


Zojuist heb ik Wasting time on the internet (°) dichtgeklapt, een essay van Kenneth Goldsmith, over de nog maar weinig begrepen invloed van het internet op kunst en literatuur: ‘Wat indien het poëtische de boekwinkel verlaten heeft op dezelfde manier als Elvis het gebouw?’ vraagt Goldsmith zich af. ‘Lang nadat de limo weggeschuurd was, was het publiek in de arena nog altijd om meer aan ’t roepen, maar de poëzie ontsnapte via de achterdeur naar het internet, waar ze nieuwe vormen aanneemt die helemaal niet op poëzie gelijken.’ (°°)
De auteur geeft hilarische voorbeelden. Zo blijkt iemand de Moby Dick van Herman Melville compleet in emoticons herschreven te hebben en iemand anders heeft Ulysses van James Joyces helemaal in QR-codes vertaald.
Boeiend vooral is dat Goldsmith al die nieuwlichterij in een lange voorgeschiedenis kadert, waardoor de voorbeelden al iets minder hilarisch worden. Deze vreemde uitingen van het internettijdperk vergelijkt hij o.a. met het werk van conceptuele kunstenaars uit de jaren zestig en met het urinoir van Marcel Duchamp. Allemaal gevallen waarbij de vraag gesteld werd/wordt of het nog wel kunst is.
Oorlog & Vrede lees je niet op een computerscherm, dat doe je in een boek of op een reader, maar korte verhalen lenen zich al daar beter toe en het zeer korte verhaal is een ideaal formaat voor de blog. Je bent aan ’t surfen, blijft even hangen, lees vlug het verhaal en surft weer verder. Twitter leidt naar nog een kortere vorm van literatuur. Zo heeft de krant The Guardian 21 bekende auteurs gevraagd om een verhaal in 140 tekens te schrijven, het maximale aantal dat twitter je toelaat. Goldsmith zelf haalt het voorbeeld aan van Jennifer Egan die in 2010 een roman schrijft die bestaat uit 607 tweets. Ook hier wijst Goldsmith naar voorlopers, zoals de specialist van het fait divers, Félix Fénéon.
Overtuigend is de auteur ook waar hij de browsergeschiedenis van je computer vergelijkt met het literaire genre dat memoires heet. Uiteraard vermeldt hij Jorge Luis Borges wanneer hij ons over het project Google Books vertelt, want Borges heeft in 1941 al De bibliotheek van Babel geschreven, een verhaal waarin alle boeken ter wereld in één bib verzameld worden, en da’s exact wat Google momenteel aan het doen is.
Een van de kenmerken van de internetrevolutie is dat oppervlakkigheid diepte vervangt en hoeveelheid kwaliteit. Daar heeft Alessandro Baricco in het ook zeer lezenswaardige De barbaren eerder al op gewezen. Ook daar wijst Goldsmith naar voorlopers. Wat heeft Andy Warhol anders gedaan toen hij soepblikken en waspoederdozen tot kunst verhief? Wikileaks doet het nu volop met informatie. De kwaliteit van de journalistiek wordt vervangen door de kwantiteit van de lekken. De ex-CIA man Edward Snowden heeft, leert Goldsmith, tussen de 1,5 en 1,7 miljoen documenten gelekt, veel meer dan we ooit zouden kunnen lezen.
Op straat lopen mensen die alleen oog schijnen te hebben voor hun telefoon. Ze hebben iets van zombies, zegt Goldsmith, en hij ontleedt het verschijnsel tot op het bot, waarbij de consument zich tot de mondige burger verhoudt als de ondode tot de mens.
Internetsurfen laat hem dan weer aan de situationisten denken, kunstenaars die het dwalen in de stad tot kunstvorm verheven hebben. Ook die situationisten maken trouwens deel uit van een traditie, want zij worden op hun beurt voorafgegaan door de flaneurs die Walter Benjamin lang geleden al in zijn boek over Baudelaire beschrijft.
De grote kracht van het essay ligt hem juist hierin dat de auteur enerzijds aantoont hoe onbegrijpelijk nieuw de mogelijkheden van het internet zijn, terwijl hij anderzijds wijst op antecedenten (dada, Marcel Duchamp, Walter Benjamin, de zombiefilms, Jorge Luis Borges, Andy Warhol, concept art, Baudelaire, surrealisme, William S. Burroughs, Finnegans Wake…) waarmee hij de revolutionaire vernieuwingen in een traditie plaatst.
Een nieuwe wereld gaat voorwaar open en… ’t is nog maar een begin.
Flor Vandekerckhove

° Kenneth Goldsmith. Wasting Time on the Internet. 2016. Uitg. Harper Perennial. 132 pp. ISBN 978-0-06-241647-6.
(°°) Ik weet niet of ik dat correct vertaald heb, in ’t Engels luidt het alzo: ‘What if the poetic has left the bookstore in the same way Elvis has left the building? Long after the limo pulled away, the audience was still in the arena screaming for more, but poetry escaped out the back door and onto the Internet, where it is taking new forms that look nothing like poetry.’

dinsdag 27 juni 2017

Kruisbestuivingen

Een roman kan, zoals we allemaal weten, een filmregisseur inspireren, een schilderij kan een roman in zich dragen, een foto kan een schilderij opleveren… Om een lang verhaal kort te maken: creaties beïnvloeden elkaar. Op de blog From Novels to Notes verzamelt een Amerikaanse journalist bijvoorbeeld al de verwijzingen naar literaire teksten die hij in de popmuziek aantreft.
Zelf laat ik me soms inspireren door songteksten, zoals onlangs in Die kat kom weer, een verhaal dat voortbouwt op het gelijknamige Zuid-Afrikaanse kinderlied. Nog maar enkele dagen geleden heb ik een Gents volkslied verwerkt in Sterkste man van Gent blijkt West-Vlaming te zijn. En zo zijn er nog. Een andere kijk op Lazarus is gebaseerd op Dig, Lazarus, Dig !!! van Nick Cave. Toen de zee aan een wasdraad hing, werd geïnspireerd door As I Went Out One Morning van Bob Dylan. De Bob heeft dat ook met zijn Shelter From The Storm gedaan, dat verhaal heet Het oog van de storm. En er is Het nichtje van Hugo Claus, waarvoor ik me laat leiden door Walt Whitman’s Niece van Billy Bragg & Wilco.
Een mooi voorbeeld, vind ik, is Milieucatastrofe door klimaatopwarming in hoofdstad. Concreet is dat alzo gegaan. In de entree van de AB zie ik dj Freddy Merckx aan het werk. Hij draait Paris s’éveille. Het lied blijft in mijn hoofd hangen. Onderweg naar het hotel hoor ik een flard van een andere song, A horse with no name. Ook A horse blijft hangen. Die staat mijlenver van dat eerste lied af, maar de twee hebben met elkaar gemeen dat het bijzonder lang geleden is dat ik ze gehoord heb.
Terwijl die twee daar toch in mijn hoofd hangen vraag ik me af wat er gebeurt als ik een verhaal maak dat ze aan elkaar koppelt. Ik schrijf het idee op in een notitieboekje: Paris & A horse.
Dat het uiteindelijk een verhaal over een klimaatcatastrofe blijkt te zijn wordt me pas enkele dagen later, al schrijvend, duidelijk. De titel heeft zelfs nog een extra nacht op zich laten wachten. En ’t laatst van al wordt de foto gekozen. Photoshop heeft hem bijgewerkt, want in werkelijkheid is het beeld op een zonnige dag gemaakt. Het verhaal daarentegen leert me dat het al heel de tijd regent. De werkelijkheid moet wijken voor het verhaal.
Tegen de tijd dat ik in dat verhaal vertel welke songs me geïnspireerd hebben is Paris s’éveille er al in verwerkt. Daarna komt het paard uit A horse with no name er zich mee moeien. Net als dat in de song het geval is laat ik het beest vrij, omdat het door de vloed bedreigd wordt: After nine days I let the horse run free/ 'Cause the desert had turned to sea.
De slotregel van het verhaal heb ik nog ’t minst van al zien aankomen. Ook die komt uit een lied. Da’s een tegenvaller, want dat is een verschrikkelijk slecht carnavallied. Maar goed, een geschonken paard kijkt men niet in de muil. Levert het een prachtige slotzin op of niet?
Flor Vandekerckhove 

zondag 25 juni 2017

In memoriam François Van Eyken



— François Van Eyken (°Antwerpen 13 maart 1942 - †Oostende 3 maart 2017) —

Dik vijf jaar geleden heb ik een stukje gepost, waarin ik met veel liefde mijn buurt beschrijf, de wijk rond de Brusselstraat in Bredene, een plek die ik in dat stukje omschrijf als Klein Charleroi, je moet hier maar eens kijken waarom.
Intussen is hier wel een en ander veranderd, maar niet veel. Enkele eengezinswoningen werden vervangen door kleine flatgebouwen. Er zijn oude mensen weggevallen en jonge bijgekomen. Enkele kleurrijke figuren zijn verhuisd. Anderen hebben hun plaats ingenomen. 
Een echte verrijking voor de buurt was François Van Eyken. Hij was hier nog niet goed geïnstalleerd of ik zag hem al met rolstoelpatiënten in de weer. Sus, zoals hij ook genoemd werd, was een allemansvriend, altijd bereid om een handje toe te steken. Wie thuis een klus te klaren had wist hem al gauw wonen. 
Een verrijking was Van Eyken ook omdat deze geboren & getogen Antwerpenaar een supporter van voetbalclub KV Oostende was. Hij vulde daarmee een hiaat op, want in onze wijk woonde geen enkele supporter van KVO, of het zou moeten zijn dat het een heel stille was, waardoor ik het niet kon weten.
François deed dat niet in stilte, integendeel. Met luide stemme verkondigde hij overdadig zijn vurige liefde voor de kustploeg en hij deed het met een vet Antwerps accent; een unicum in de clubgeschiedenis.
Hij heeft veel voor de ploeg gedaan. Geen match heeft hij overgeslagen, noch thuis noch op verplaatsing. Daar trok hij goed voorbereid naartoe. Hij leerde het cornet bespelen (of was het de klaroen?), maakte plakkaten met ophitsende leuzen en tooide zich overdadig met de clubkleuren.
Telkens wanneer KVO het veld betrad hing François Van Eyken thuis de vlag uit. Wanneer zijn ploeg gewonnen had of gelijkgespeeld dan bleef die vlag tot de daaropvolgende middag hangen. Werd de match verloren dan werd het vaandel meteen binnengehaald.
Waardoor ook voetbalonkundige wijkbewoners, zoals ik, bij het spelgebeuren betrokken werden. Zodra ik het hoofd buitenstak kon ik zien of er voetbal gespeeld werd. Was die vlag de daaropvolgende morgen nergens meer te bespeuren dan wist ik dat KVO verloren had.
De ploeg werd daardoor ook voor mij een aandachtspunt. Ik leerde termen als weireldploegsje en kustboys kennen. ’s Avonds, wanneer ik mijn hoofd naast dat van mijn geliefde vleide, vroeg ze me steevast hoe het er met KVO voorstond. Dan trok ik nog eens ’t raam open om te zien wat de vlag me leerde.
Inmiddels is François Van Eyken overleden. In de wijk stellen we ons de vraag hoe het nu met KVO verder moet. Maar kijk, wanneer de ploeg op ‘t einde van mei een Europees ticket wint, zien we het vaandel weer buitenhangen. Jeannine, ’s mans weduwe, heeft de taak van François overgenomen. We blijven meeleven met het weireldploegsje van Kama en voorzitter heu… dinges… godver, ‘k zou het duizend keer zeggen…

Flor Vandekerckhove

vrijdag 23 juni 2017

Hamburgertent

Ik sta in de rij. Boven de toog hangen helverlichte, veelkleurige plakkaten, aanschouwelijke spijskaarten waaruit degenen die me voorgaan vlot hun keuze maken. 
Wat zijn zo'n reclameborden anders dan een postmoderne variant op bijbelse voorschriften? Dit zijn de beesten die gij eten zult, zegt zo'n plakkaat. Voor mij is dat een moeilijke kwestie, want terwijl ik aanschuif moet ik kiezen tussen gerechten waarbij ik me niets kan voorstellen.
Mijn beurt. Onzeker wijs ik naar de FUCKING BIG SUPERMAC met CHEESE PINDA FRIES & JOLT COLA ON THE ROCKS: 9,99Een onwaarschijnlijk jonge kassierster noteert mijn keuze. Terwijl ze nog aan ’t tikken is staat mijn bestelling, verpakt in isomo, al op mijn bord. Plus een stapel sausjes die ik blijkbaar ook besteld heb.
Tafels met formicabladen. Stoelen die aan de grond vastgeschroefd zijn. Aan zo'n tafeltje ga ik neerzitten. Mijn knieën knellen tegen het tafelblad. Voor het eerst in mijn leven eet ik in een hamburgertent. Voor me liggen de FUCKING BIG SUPERMAC en al de rest.
Ik neem enkele happen en begin meteen te zweten. Ik probeer verder te eten maar dat gaat niet, want ik moet teveel klappertanden. Ik voel hoe al mijn energie zich in mijn maag samentrekt.
Diep in mij maakt het zopas verorberde voedsel een zeer onnatuurlijke beweging. Vanuit mijn maag zoekt het kolkend een weg naar mijn slokdarm en als mijn slokdarm vol komt te staan, gaat het naar mijn mond.
Ik probeer de zaak binnen de perken, dus in mijn mond te houden. Ik blokkeer de eerste gulp. Bolle wangen. Maar de eerste wordt gevolgd door een tweede en…   Ik wil alles weer inslikken, verzwelgen, terugduwen, maar dat lukt me van geen kanten. 
Een straal. De vrolijke kleuren van de hamburgertent worden bedekt onder een laag kots. Pastel wordt bruin. Het is alsof een stroompanne het licht van de eettent uitschakelt. Formica wordt slijm. Zo’n massa kots! 
De vloer beweegt. Mijn braaksel klotst zich een weg doorheen de zaak. Het botst als een wilde rivier tegen de muren op en sleurt alles met zich mee. Het eethuis wordt compleet vernield door de ziedende gore massa kots die uit mijn mond hutst.
Met veel vallen & opstaan geraak ik op de stoep en terwijl ik daar probeer te bevatten wat me overkomen is, hoor ik een stem die zegt: In het omstreden slachthuis in Tielt wordt vandaag het werk hervat. Het slachthuis werd de laatste twee weken verplicht gesloten nadat er beelden opdoken waarop de varkens ernstig mishandeld werden. "Het slachthuis is nu aan strenge voorwaarden onderworpen", meldt minister Weyts.’

Flor Vandekerckhove

woensdag 21 juni 2017

Sterkste man van Gent blijkt West-Vlaming te zijn

Eén keer heb ik in ’t cachot gezeten. Dat was in Gent, op de Poeljemarkt. Nu is daar, denk ik, geen politiebureau meer, maar in die tijd dus wel. Naar dat bureau was ik gevlucht, achternagezeten door een horde Gentenaars die het op me gemunt had, omdat ik een West-Vlaming ben.
Aan de flik, die daar de nacht aan ’t doen was, vroeg ik meteen asiel en toen hij antwoordde dat hij daar geen papieren voor liggen had, schold ik hem uit voor vorte vis. Met resultaat, want hij stak me in de cel. Daar zat ik veilig, althans voorlopig.
Buiten ging het van kwaad naar erger. Een dolle massa troepte voor het bureau samen. Ik hoorde paarden briesen, honden blaffen en mensen joelen. Het deed me aan die western denken, waarbij het plaatselijke plebs het recht in eigen handen nam en het kantoor van de sheriff belegerde.
De flik nam het zekere voor het onzekere en sloot het bureau. Daar zaten we nu opgesloten, die mens en ik. Voor de deur stond een massa autochtonen te scanderen dat we beuzakskes waren. Gevaarlijk werd het pas echt toen ze uit het Gravensteen een stormram haalden en ermee tegen de deur begonnen beuken.
De flik begreep dat het zo niet kon blijven duren. Hij ontgrendelde het cachot en gaf me zijn matrak. Zelf haalde hij zijn blaffer uit de holster en op zijn teken — van één, van twee, van drie — stormden we naar buiten. 
Terwijl de flik een waarschuwingsschot loste overschouwde ik de Poeljemarkt. In de hoek was de galg al opgesteld. Voor ons stond een dreigende massa. Ik kon alleen maar ontsnappen door me met de matrak een weg te meppen in de richting van de Mammelokker.
En dat is ook wat ik vervolgens deed. ‘k Stekte er ene vaste en ik stak hem naar omhuuge, ‘k liet hem toens weer vallen en stond hij weren op, awel, ‘k gaf hem ne klop en nen bok van mijne kop. Die had niemand zien aankomen! De meute stond versteld. Meer nog dan mijn machtsvertoon maakte mijn woordgebruik grote indruk. (*)
Een Gentenaar kwam met zijn hond op mij af en riep: ‘Past op of hij bijt.
Ik antwoordde: ‘Moar van zo een biestje benne ‘k ik toch niet benijt.’ Doarop begoste ‘k ik aan zijn slurfke te trekken, ik sprong op zijne rug en ik had hem vast bij zijne nekke, ik droaide da biestje ne kier of viertig rond, hij lag daar toens te spertelen mee zijn muile op de grond.
Het lied stopte bruusk toen het snoer uit de jukebox getrokken werd. Ik schrok ervan wakker. Overal om me heen zag ik restanten van de voorbije nacht liggen, lege glazen, tierlantijnen, halfvolle frietzakjes en plassen met braaksel. Heel het café was, op mij na, leeg. Ik had koppijn en zwoer dat ik nooit ofte nimmer nog aan de Gentse feesten zou deelnemen.
Flor Vandekerckhove
(*) Waarbij beuzak een rotzak is en omhuuge omhoog. Een bok van mijne kop is een kopstoot. Een slurfke is een pietje. Benijt is benauwd. De agent in kwestie heette Tsjok en dat betekent Jaak.


maandag 19 juni 2017

Op bezoek bij Roger De Coster


— Roger De Coster (77) en Ria Lhermitte. (Eigen foto) —

In ’t donker projecteert de treurwilg zijn schaduwspel op de kerkgevel. De glasramen bieden zachtjes weerwerk. In ‘t dorp leer ik genieten van de gothic sfeer die het huis omgeeft.
In die tijd woon ik in het huis dat Pier de garde daar in 1928, naast het kerkhof, heeft laten bouwen. Ik moet er de dingen nog een beetje gewoon worden, vooral de nachtelijke geluiden: knerpend grint, een flard van een gesprek, een kat die krijst, graniet dat, ja dat wat eigenlijk?
Soms, bij nacht & ontij, hoor ik kerkmuziek. Terwijl ik een nachtelijk plasje maak, komt het pijporgel mij daarbij assisteren, alle registers open. Waarna een diepe bas het van de pijpen overneemt.
Stoute schoenen heb ik niet. Ik roep de hulp in van Annie Vanhee, de volkskunstenares die daar trouwens nog altijd woont, en samen duwen we de kerkdeur open. Geruisloos lukt dat niet. De zanger onderbreekt zijn zang. Wij staan oog in oog met Roger De Coster die me prompt vraagt of ik ook kan zingen.
De Coster herinner ik me uit mijn kindertijd. Zoon van Maurice, de meubelmaker die een atelier — de zagerij — had in de Duinenstraat, oudere broer van Rita en Erna (†). Ik herinner me zijn in- en uittrede bij de paters van Orval. Ik hoor het onze vaders nog zeggen: ‘Zijn roeping als beeldhouwer is groter dan zijn roeping als pater.’ Wat me leert dat cynisme goed gedijt bij een uitgestreken gezicht.
— Afsluiten doen ze met een streepje muziek.
Hij op zijn mondharmonica, zij op de
tamboerijn. (Eigen foto) —
Later, wanneer ik van het dorp naar de duinenwijk verhuis, zie ik hem daar wekelijks voorbij fietsen. Na het sluiten van de markt gaat hij de resten ophalen. En dan opeens niets meer.
Tot verleden week. In De Zeewacht lees ik een stuk (°) over een koppel dat als moderne kluizenaars omschreven wordt. Zij heet Ria en hij Roger. Zij heeft een boek over hem geschreven: ‘Hij heeft speciale keuzes gemaakt in zijn leven en heeft een visie. Ik wil niet dat zijn ideeën en gegevens verloren gaan.’ Veel van die ideeën gaan over soberheid en het eren van de Schepper. Elk kunstwerk drukt iets van die Schepper uit. Het boek zoekt nog een uitgever.
Ik bekijk de foto en herken meteen de man die me twintig jaar eerder gevraagd heeft met hem mee te zingen. Onlangs heb ik zijn naam, hier, onder een schoolfoto uit 1948 zien passeren. Ook omdat ik op zoek ben naar nog enkele ontbrekende namen, beslis ik om het koppel op te zoeken. Ik neem de schoolfoto met me mee.
Vannestes artikel leidt me naar het huisje aan de Vosseslag. Ik word er gastvrij ontvangen. Als het koppel al bekeringsijver heeft, dan valt die me niet op. De twee vertellen me over hun leven, over het onbegrip dat ze daarbij ontmoeten, over goede mensen die hun pad kruisen. En over wat er met het werk van Roger moet gebeuren nu het einde nadert. Ik beloof dat ik links en rechts eens informeer naar iemand die daarbij kan helpen.
Mijn bezoekje fleurt het koppel op. Roger voelt dat ik positieve energie in het huisje breng. Zo zie je maar wat een atheïst vermag, zeg ik. Mijn kwinkslag wordt me vergeven. Afsluiten doen ze met een streepje muziek. Hij op zijn mondharmonica, zij op de tamboerijn.
Flor Vandekerckhove


(°) Ann Vanneste in DZ, 16 juni 2017, p.42. ‘Met wie kun je nog echt praten?’

— Over deze schoolfoto schreef ik hier eerder al een stukje. Roger De Coster staat er, rood omcirkeld, op. Maar wie zijn de anderen? — 

zaterdag 17 juni 2017

Joggen in het post-Dutroux-tijdperk


De zeekant laat ik achter me, ik neem de houten trap over de duinen, stijgend vanaf de Spinoladijk, dalend naar de Koninklijke Baan. Boven kijk ik uit over de dingen, rechts Oostende, links Bredene, in de verte polders. Achter me de zee en ook een stem: ‘Meneer?’
Een knaap. Hoeveel kilometer ik wel loop, hoeveel keer per week en waarlangs dat dan gaat. Waar ik woon en of ik getrouwd ben.
Wie jong is ontwaart niet meteen een kindervriend in me — ik heb kleinkinderen die schrik van me hebben — maar deze jongen ziet dat anders. Ik wil hem niet teleurstellen, toch niet meteen, en geef vriendelijk antwoord op de vragen die hij over me uitstort. Waarna het mijn beurt wordt om iets te vragen. Ja, ook hij is een jogger. En een zwemmer. Op muren klimmen doet hij ook, iets waarin hij uitblinkt.
Beneden aan de trap scheiden onze wegen. Hij verblijft bij zijn vader, rechts, en mijn joggingparcours leidt naar huis, links. Doei!
Honderd meter verder: ‘Meneer?’ De knaap weer. Of hij een eindje met me mee mag lopen. Hij jogt wel graag, maar niet alleen. Hij wordt gepest. Houdt niet van zijn vader. Heeft nog twee broers en een zus. Soms ziet hij het leven niet meer zitten. Heeft al eens gedacht om er een einde aan te maken. Zijn moeder woont in Brugge. De scheiding weegt zwaar, maar bijlange niet zo zwaar als de pesterijen. Hij is tien.
Ik weet niet goed wat me overkomt, want kinderen beginnen al te wenen zodra ze me nog maar van verre zien. Niet deze jongen. Terwijl we verder lopen aan een tempo dat iets te traag voor hem is en iets te vlug voor mij, formuleert hij zware antwoorden op mijn lichte vragen. De jongen ontroert me zowaar. Ik graaf diep in mijn schaarse kindvriendelijkheid en zeg hem dat alles in het leven twee kanten heeft, een slechte en een goede. Dat hij ook naar de goede kant van de dingen moet leren zoeken. Een mens moet iets zeggen.
‘Ja’, antwoordt hij, ‘dat hoor ik overal. Mijn mama en de psychologe zeggen dat ook, maar,’ voegt hij er meteen aan toe, ‘het duurt soms lang voor je de goeie kant kunt zien.’
Die jongen is godver een duim groot en wat hij zegt is allemaal zeer waar. Ik ben sprakeloos, en dat komt niet alleen doordat ik te hard loop. Gelukkig ben ik ook bijna thuis.
Op de straathoek laat ik de knaap achter, ik wil niet dat hij weet waar ik woon. Ik vrees de moeder, ik vrees de psychologe, ik vrees de vader, ik vrees de flikken, ik vrees de blikken van de mensen. Dit is het post-Dutroux-tijdperk.
Achteraf bedenk ik dat ik een angsthaas ben, een bangerik, een haasvreter, een schijtebroek, een schijter. Een lafbek, ja, dat is het goede woord, een lafbek. Maar dat je vandaag de dag niet voorzichtig genoeg kunt zijn… da's natuurlijk ook waar.

Flor Vandekerckhove

donderdag 15 juni 2017

Moskou 1939, verhaal wordt tribunaal

— Isaak Babel en zijn vrouw Zjenja aan het strand van Sint-Idesbald in België, zomer 1928. (Uit Isaak Babel Brieven naar Brussel 1925-1939.) —  


‘Babel is wellicht degene die ik nu met de grootste interesse lees.’
(Leon Trotski, 1932)

In Le Triomphe de l’Artiste (°) citeert Tzvetan Todorov een dagboekfragment van Isaak Babel. Die schrijft op 3 juni 1920: ‘De kleine joodse filosoof […] Zijn filosofie — Ze zeggen allemaal dat ze vechten voor de waarheid en allemaal plunderen ze. Mocht er tenminste één zijn die goed is.’ Babel zal die gedachte concreet ontwikkelen in het verhaal Gedali, dat deel uitmaakt van zijn wereldbekende De rode ruiterij.
De kleine joodse filosoof blijkt in dat verhaal een antiekwinkeltje te runnen. Niet alleen zijn verkoopwaar stamt uit vroegere tijden, ook zijn normen & waarden blijken antiek te zijn.
Eerst zijn de Polen in het dorp gepasseerd en daarna de Kozakken. Ze hebben allemaal geplunderd. Tot de verteller zegt de oude jood: ‘Wij zijn geen onbenullen. De Internationale… wij weten wat de Internationale is. En ik wil een Internationale van goede mensen, ik wil dat elke ziel meetelt en een eersteklas rantsoen krijgt. Hier, ziel, alsjeblieft, tast toe, schep genoegen in het leven. De Internationale, pan kameraad, u weet niet waarmee die wordt gegeten…’ Ten slotte volgt het antwoord van de verteller: ‘‘Die wordt met buskruit gegeten,’ antwoord ik de oude man ‘en gekruid met het beste bloed…’.’
Volgens Todorov bewaren de verhalen van Babel tot op het einde van diens leven discrete sporen van de filosofie van Gedali. Dat blijkt uit een verklaring die de schrijver na zijn arrestatie aflegt: ‘Ik heb begrepen dat mijn onderwerp, wat veel mensen raakt, dat van een zelfopenbaring is, een waarheidsgetrouw verhaal van hoge literaire kwaliteit over het leven van een "goede" mens tijdens de revolutie.’ [Ik weet niet of ik dat goed vertaald krijg, er staat: 'J'ai compris que mon sujet, qui touche beaucoup de gens, est celui d'une autorévélation, un récit véridique et de haute qualité littéraire, sur la vie d'un homme "bon" pendant la révolution.']
Goed & kwaad staan ook naast elkaar in zijn Verhalen van Odessa, de stad waar Babel een groot deel van zijn jonge jaren slijt. Daar is het gangster Benja Krik die de lakens uitdeelt, de koning der rovers.
Babel beschrijft de wreedheid die met het uitoefenen van macht gepaard gaat. Of dat geweld van de trawanten van de tsaar komt, de Polen, de Kozakken, van gangsters of gewoon van mannen, doet er niet toe. Het is de manier waarop hij dat geweld beschrijft — Babels stijl — die zijn verhalen zo sterk maakt. Viktor Sjklovski, een collega-schrijver, zegt daarover: ‘Babels procedé bestaat erin dat hij op dezelfde manier spreekt over de sterren als over een druiper.’
Na 1924 gaat Babel weer op zoek naar onderwerpen, in ’t verlengde van de vorige. Een milieu dat daar zijns inziens zeer geschikt voor is, is dat van de beruchte Russische geheime politie. Zijn in 1937 gepubliceerde verhaal Soelak zou daar, zo vermoedt men, deel van uitgemaakt hebben.
Is het daarom dat Babel regelmatig Genrich Jagoda opzoekt en Nikolai Jezjov, mannen die de grote Stalinistische zuiveringen organiseren? Dat soort volk lijkt hem inderdaad uitermate te boeien. Volgens Todorov zegt Babel aan een vriend: ‘Het zijn eenvoudigweg heiligen.’
Hoezo heiligen? Michel Krielaars (°°) weet dat Babel daar ook iets anders over zegt: ‘Volgens Nadezjda Mandelstam, zou Babel op de vraag van haar man wat hij bij de Jezjovs in godsnaam toch te zoeken had hebben geantwoord: “Ik zou ze met geen vinger aanraken, ik snuif alleen hun geur op”.’
Babels project over de geheime politie vindt geen uitkomst, toch niet in de literatuur. In het tijdperk van de Stalinistische terreur was dat uiteraard niet mogelijk. In 1934 betitelt Babel zichzelf dan ook ironisch als ‘de grootmeester van het zwijgen’.
In 1939 gebeurt wat in de sterren geschreven staat. Babel wordt door zijn potentiële onderwerp gearresteerd. Hij mag zijn werk niet afmaken, iets waar hij zijn belagers nochtans uitdrukkelijk om vraagt. ‘Toch’, zegt Todorov, ‘heeft dat project een geschreven spoor achtergelaten: het zijn de talrijke en lange verklaringen die hij voor de rechtbank aflegt. Hijzelf kwalificeert aldus ironisch de uiteindelijke staat van het project: “De vorm ervan is veranderd in de verslagen van het gerechtelijk onderzoek”.’
Flor Vandekerckhove

(°) Tzvetan Todorov. Le Triomphe de l’Artiste. La révolution et les artistes — Russie: 1917-1941. Uitg. Flammarion 2017. Essay. 334 pp.
(°°) Michel Krielaars. Alles voor het moederland. De Stalinterreur ten tijde van Isaak Babel en Vasili Grossman. 2017. Uitg. Atlascontact. 344 pp.


maandag 12 juni 2017

Milieucatastrofe door klimaatopwarming in hoofdstad

— Brussel, het de Brouckèreplein in de regen. (Eigen foto) —

Mijn vriendin woont een optreden bij en Ik blijf achter in het hotel. Het leger trekt zich uit de straten terug. Vanaf de kamer kijk ik neer op het plein dat heraangelegd wordt. Putten, zand, hopen steen en daartussen bulldozers, kranen en dingen. Nadarhekkens houden de passanten op het juiste pad. Het is al heel de dag aan ’t regenen. Werf wordt modder. Aan de overkant haast een travestiet zich naar het werk. Ik voel enige verwantschap, want ook ik ga straks het werk aanvatten.
‘s Morgens zullen we daarmee klaar zijn, de travestiet en ik. De stripteaseuses trekken dan hun kleren weer aan. Vrachtwagens volgeladen met melk en straatvegers beladen met bezems nemen het van ons over. Beneden in het café zullen vermoeide minnaars de nacht proberen te rekken. Tevergeefs, want zodra de bakker het stokbrood in de etalage legt ontwaakt de stad.
Ik heb nog enkele uren om het vignet te schrijven: zo ziet Brussel er uit in de droogte van de klimaatcatastrofe. Moeilijke opdracht, want het blijft maar regenen. Terwijl ik op het troosteloze plein uitkijk vraag ik me af hoe ik het zal aanpakken. Ik moet er nu echt aan beginnen.
Net wanneer ik het gordijn wil dichttrekken wordt mijn oog aangetrokken door een uithoek van het plein. Daar blijkt zowaar een boerenpaard te staan. In ’t midden van Brussel!
Ik weet wel hoe dat komt, het is mijn schuld. Het komt door het vignet dat ik moet schrijven. De inspiratie hoop ik uit twee songteksten te halen. Enerzijds is dat Il est cinq heures, Paris s’éveille van Jacques Dutronc, want dat gaat over een grootstad, travestieten, stripteaseuses, warme bakkers en vrachtwagens vol melk. Je kunt ernaar luisteren als je de titel in deze tekst aanklikt. Dat geldt ook voor het andere lied dat me zal inspireren, A horse with no name, het woestijnlied van de popgroep America. Dat lijkt me bruikbaar te zijn als ik het over de klimaatverandering wil hebben. In de song staat dat paard wel niet op dit plein, maar het plein gelijkt tijdens de werkzaamheden een beetje op een woestijn.
Intussen regent het zo hard dat er tussen al de zand- en steenhopen een riviertje ontstaat. Dat riviertje wordt een stroom en de stroom wordt een woest kolkende zee. Er komt beweging in een bulldozer die in de deining meegesleurd dreigt te worden. Het paard kan de zich voor mijn ogen ontwikkelende catastrofe onmogelijk overleven. Ik beslis om mijn jas aan te trekken en het beest los te maken, zodat het kan ontsnappen. En zo komt het dat ik ’s nachts in Brussel, in de gietende regen, een boerenpaard de teugels geef.
Wanneer ik weer in de kamer kom ben ik doorweekt. Ik neem een douche en leg me op het bed. Wanneer mijn vriendin me twee uur later wekt, zegt ze: Er staat een paard in de gang.’

Flor Vandekerckhove

zaterdag 10 juni 2017

Ontsporingen van een haarsnit

— Kobe Ilsen, geen Alt Right, wel Undercut. —
Enkele dagen geleden heb ik u ingeleid in de politiek incorrecte achtergrond van een coupe die gaandeweg alle jongemannenhoofden aan ’t veroveren is, de u inmiddels welbekende undercut hairstyle. Ik zou er niet op terugkomen, ware het niet dat mijn mailbox overstelpt wordt met berichten van mensen die niet tot de Alt Right behoren maar wel de undercut hairstyle torsen.
Toch zie ik verschillen. Bij de Alt Right mannen — hier — geschiedt de overgang tussen kort geknipt en hoog opschietend enigszins genuanceerd, wat van hun gedachtegoed niet gezegd kan worden. Bij ordinaire hipsters valt die nuance in het haar helemaal weg, zoals de foto van televisiemens Kobe Ilsen — geen Alt Right — duidelijk laat zien. Kort is hier heel kort, lang is wel zeer lang. Met zo’n kobejaanse haartooi kun je geen overtuigend politiek discours houden, zelfs niet ter rechterzijde, da’s klaar. In New York kun je je daarmee trouwens ook niet op kantoor vertonen, want Wall Street is nog iets anders dan de Reyerslaan.
Mijn tweede voorbeeld is moeilijker te duiden. Ook Kim Jong-un praktiseert met verve de undercut hairstyle. Maar is deze jongeman Alt Right of is hij Old Left?
Dat ik deze vraag niet meteen met ja of neen beantwoord komt door de PVDA, voorheen AMADA, de partij die volgens de peilingen op de rand van een doorbraak staat. Ooit heb ik met zo’n member een debat gevoerd. Dat ging over Noord-Korea, waar de familie Kim al sinds 1948 de scepter zwaait. Die mens van de PVDA heeft toen door middel van talrijke haarkloverijen aangetoond dat Noord-Korea onder die familie een linkse heilstaat geworden is. Onzin natuurlijk, maar moeilijk te weerleggen, want niemand beheerst de techniek van de haarkloverij zo grondig als de gestaalde kaders van de PVDA. Die muggenzifterij heet daar dialectisch materialisme, kenners zeggen diamat.
— Kim Jong-un, Alt Right of Old Left? —
Eerlijkheidshalve dien ik hieraan toe te voegen dat de PVDA intussen helemaal van gedacht veranderd is: Noord-Korea is nu een dictatuur. De mens die me in dat debat onder tafel gepraat heeft is trouwens al lang geen lid meer. Nu haarklooft hij voor de N-VA. Andere partij, zelfde mens.

Flor Vandekerckhove